In deze civiele zaak gaat het om de verdeling van een onverdeelde gemeenschap tussen broers, bestaande uit vier onroerende zaken die gezamenlijk werden verhuurd en geëxploiteerd. De maatschap werd per 1 januari 2004 ontbonden, waarna het beheer van de panden werd voortgezet. De rechtbank had de panden en bankschulden toegewezen aan de geïntimeerde en bepaalde dat de appellant een bedrag aan hem moest betalen.
De appellant verzocht om schorsing van de uitvoerbaarheid van het vonnis bij voorraad, stellende dat het vonnis berustte op juridische en feitelijke misslagen, waaronder fouten in het deskundigenrapport en onvoldoende motivering van de rechtbank bij het niet toelaten van tegenbewijs. Het hof oordeelde echter dat deze argumenten geen duidelijke misslagen vormden en dat de rechtbank terecht had geoordeeld over de stelplicht en bewijswaardering.
Verder stelde de appellant dat de tenuitvoerlegging een financiële noodtoestand zou veroorzaken vanwege overdrachtsbelasting, maar het hof wees dit af omdat de overdrachtsbelasting volgens de wet door de geïntimeerde verschuldigd is. Ook het belang van de geïntimeerde bij onmiddellijke tenuitvoerlegging woog zwaarder dan het belang van de appellant bij schorsing.
Het hof wees daarom het verzoek tot schorsing af, veroordeelde de appellant in de proceskosten van het incident en stelde verdere behandeling van de hoofdzaak uit tot de rolzitting van 10 november 2009.