ECLI:NL:GHSHE:2009:BH2746

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
11 februari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
20-002948-08 OWV
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 6 EVRMArt. 3 Opiumwet
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak telen hennep en afwijzing ontnemingsvordering wegens onschuldpresumptie

De veroordeelde werd in eerste aanleg vrijgesproken van het opzettelijk telen, bereiden, bewerken en/of verwerken van hennep, maar wel veroordeeld voor het opzettelijk aanwezig hebben van hennep. De officier van justitie stelde een ontnemingsvordering in, gebaseerd op het vermeende voordeel uit het telen van hennep in de periode van 1 april 2007 tot en met 19 juli 2007.

In hoger beroep bevestigde het hof de vrijspraak van het telen van hennep. Het hof oordeelde dat de ontnemingsvordering niet kan worden toegewezen omdat de onschuldpresumptie, zoals verwoord in artikel 6 lid 2 EVRM Pro, zich verzet tegen het ontnemen van voordeel dat zou zijn verkregen uit feiten waarvan de veroordeelde is vrijgesproken. De advocaat-generaal stelde subsidiair dat de veroordeelde een bedrag van EUR 3.000,- zou hebben ontvangen, maar dit werd door de veroordeelde ontkend en niet aannemelijk gemaakt.

Het hof concludeerde dat niet is komen vast te staan dat de veroordeelde enig voordeel heeft genoten uit het telen van hennep en wees daarom de ontnemingsvordering af. Het vonnis van de politierechter werd bevestigd.

Uitkomst: De veroordeelde is vrijgesproken van het telen van hennep en de ontnemingsvordering is afgewezen wegens de onschuldpresumptie.

Uitspraak

Parketnummer: 20-002948-08 OWV
Uitspraak: 11 februari 2009
TEGENSPRAAK
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Hertogenbosch van 27 februari 2008 op de vordering ex artikel 36e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 01-821368-07 tegen:
[veroordeelde],
geboren te [geboorteplaats] op [1969],
wonende te [woonplaats], [adres].
Hoger beroep
De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de veroordeelde naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechter in eerste aanleg zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel - als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht - wordt geschat zal vaststellen op EUR 40.000,00, dan wel EUR 3.000,00, en de veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis met verbetering van de gronden als na te melden.
De beoordeling
Aan de veroordeelde was in de tegen hem aanhangige strafzaak onder parketnummer 01-821368-07 onder 1 ten laste gelegd, voor zover hier van belang, dat hij in of omstreeks de periode van 1 april 2007 tot en met 19 juli 2007 opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid hennepplanten.
Blijkens een zich in het dossier bevindend aantekening mondeling vonnis van de politierechter in de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 27 februari 2008 is het onder 1 bewezen verklaarde gekwalificeerd als opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod (het opzettelijk aanwezig hebben van hennep). Uit dat aantekening mondeling vonnis blijkt voorts dat het onder 1 bewezen verklaarde werd gepleegd in de periode van 1 april 2007 tot en met 19 juli 2007.
De veroordeelde is derhalve in de hoofdzaak vrijgesproken van het opzettelijk telen, bereiden, bewerken en/of verwerken van bedoelde hoeveelheid hennepplanten. Deze vrijspraak betreft de gehele ten laste gelegde periode.
Zowel de ontnemingsvordering van de officier van justitie d.d. 13 november 2007 (tot een bedrag van EUR 95.942,00) als de vordering van de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep (tot een bedrag van EUR 40.000,00) zijn gebaseerd op het uitgangspunt dat de veroordeelde voordeel tot die respectievelijke bedragen heeft verkregen uit het telen van hennep (één oogst) in de periode van 1 april 2007 tot en met 19 juli 2007.
Gelet op voornoemde vrijspraak in de hoofdzaak verzet de in art. 6, tweede lid, van het EVRM verwoorde onschuldpresumptie zich evenwel tegen het ontnemen van voordeel dat door die feiten (telen etc.) zou zijn verkregen (vgl. EHRM 1 maart 2007, nr 30810/03 (Geerings tegen Nederland), NJ 2007, 349).
De advocaat-generaal heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de veroordeelde een bedrag van EUR 3.000,00 heeft verkregen uit bedoelde oogst, aangezien hij ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verklaard dat hij dat bedrag per oogst zou ontvangen voor het op zijn naam zetten van het pand waarin de hennep werd geteeld.
Nu de veroordeelde heeft ontkend dat hij het bedrag van EUR 3.000,00 daadwerkelijk heeft ontvangen en ook overigens niet is gebleken dat dat bedrag aan hem is uitbetaald, is het hof van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de veroordeelde voordeel tot laatstgenoemd bedrag heeft genoten.
Gelet op het hiervoor overwogene dient de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht te worden afgewezen.
BESLISSING
Het hof:
bevestigt het vonnis, waarvan beroep.
Aldus gewezen door
mr. J.M.W.M. van den Elzen, voorzitter,
mr. O.M.J.J. van de Loo en mr. F. van Beuge,
in tegenwoordigheid van mr. P. van Glabbeek, griffier,
en op 11 februari 2009 ter openbare terechtzitting uitgesproken.