4.9. Het hof licht dit oordeel als volgt nader toe.
4.9.1. De trainer [C.] heeft tijdens het voorlopig getuigenverhoor als getuige het volgende verklaard:
“De spelvorm waarin ik op dat moment instructie gaf bracht met zich mee dat er vanuit het achterveld moest worden geslagen. Ik heb geen instructie gegeven ballen die half court komen te laten lopen. De bedoeling is dat de ballen die half court komen te gaan halen en vervolgens weer terug te gaan naar de baseline. Voor wat betreft ballen die kort over het net komen, heb ik ook geen speciale instructies gegeven. Ik kan mij herinneren dat de heer [B.] op het moment dat ik omkeek in het servicevak stond; ik denk een meter voor de servicelijn richting het net.”
Bij het afleggen van deze verklaring zijn [A.] en [B.] aanwezig geweest, zodat op de voet van art. 192, lid 1 Rv deze getuigenverklaring tussen hen dezelfde bewijskracht heeft als die welke op de gewone wijze in een aanhangig geding is afgelegd. Neways was niet bij het voorlopig getuigenverhoor aanwezig of vertegenwoordigd, maar er is geen grond om deze verklaring van [C.] in het geding tussen Neways en [B.] buiten beschouwing te laten.
Uit deze verklaring van [C.] blijkt dat [B.] door op te lopen naar het net om de – kort over het net komende – bal terug te slaan niet in strijd met enige instructie heeft gehandeld, doch integendeel het spel gaande heeft willen houden zoals de bedoeling was.
4.9.2. Er zijn voorts geen gronden om te concluderen dat [B.] vervolgens de bal met een aanvallende slag, een smash, heeft teruggeslagen met de bedoeling om te scoren. [B.] heeft uitdrukkelijk verklaard dat dat niet het geval was. De trainer [C.] kan daarover niets verklaren omdat hij met zijn rug naar de baan stond waarop [B.] speelde. Er is dus onvoldoende bewijs om aan te nemen dat [B.] heeft gesmasht.
Gelet op het feit dat de door [B.] geslagen bal rechtdoor ging, richting [A.], en niet diagonaal, richting [D.], en gelet op het feit dat de bal [A.] in het oog raakte toen hij zich oprichtte terwijl hij ruim achter de baseline stond, is duidelijk dat [B.] – in aanmerking genomen het doel van de training – de bal heeft teruggeslagen op een wijze die niet met dat doel overeenkwam. Echter ook de onderhavige training is een tennisspel. Ook dit spel lokt uit tot handelingen of andere gedragingen zoals hierboven in rov. 4.8. genoemd. Onderdeel van dergelijke handelingen of gedragingen kunnen zijn dat een bal hard wordt teruggeslagen.
Uit het feit dat in casu de bal hard was geslagen en dat [B.], toen hij sloeg, niet wist of [A.] “op dat moment aan het tennissen was, de bal opraapte of iets dergelijks”, zoals [B.] als getuige heeft verklaard, kan niet worden afgeleid dat [B.] de bal onbesuisd heeft weggeslagen zonder zich om de gevolgen daarvan te bekommeren. Niet gebleken is dus van handelen in strijd met de gedragsregel van de KNLTB met betrekking tot het “met opzet wegslaan van de bal”.
4.9.3. Het hof komt daarom tot de conclusie dat het door [A.] gestelde grof onzorgvuldig handelen van [B.] niet is komen vast te staan.
De grieven 1 tot en met 6 falen dus.