ECLI:NL:GHSHE:2009:BJ2083

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
9 juli 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
20-002032-08
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 453 SvArt. 451 SvArt. 449 SvArt. 454 SvArt. 412 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring verdachte na intrekking hoger beroep

De verdachte had hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van de politierechter, maar trok dit hoger beroep rechtsgeldig in vóór de aanvang van de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting. Het hof overwoog dat intrekking van het hoger beroep mogelijk is tot aanvang van de behandeling, en ook daarna zolang er nog geen inhoudelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Met de intrekking geeft de verdachte aan geen belang meer te hebben bij de behandeling van zijn zaak in hoger beroep.

De advocaat-generaal had gevorderd dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk zou verklaren in zijn hoger beroep. Het hof volgde dit standpunt en verklaarde de verdachte niet-ontvankelijk, omdat het initiatief tot intrekking bij de verdachte lag en hij daarmee het belang bij de behandeling van het hoger beroep had opgegeven.

Het hof benadrukte dat indien een verdachte van mening is dat zijn intrekking ten onrechte is aangenomen, dit ter terechtzitting moet worden beoordeeld. De zaak moet dan worden aangebracht ter terechtzitting om de rechtsgeldigheid van de intrekking te toetsen. Dit arrest bevestigt de jurisprudentiële lijn dat intrekking na aanvang van de terechtzitting, zolang nog geen inhoudelijk onderzoek is verricht, gelijkgesteld wordt aan intrekking vóór aanvang.

Uitkomst: Verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep na intrekking daarvan.

Uitspraak

Parketnummer: 20-002032-08
Uitspraak : 9 juli 2009
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Hertogenbosch van 29 mei 2008 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 01-845086-08, 01-850595-08 en 01-845052-08, en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 05-930261-06, tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [1979],
wonende te [woonplaats], [adres],
thans uit anderen hoofde verblijvende in PI Vught - Nieuw Vosseveld 1 HVB te Vught.
Hoger beroep
De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Bij akte van 18 juni 2009 heeft de verdachte dit hoger beroep voor de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep weer rechtsgeldig ingetrokken.
De dagvaarding om in hoger beroep te verschijnen is niet ingetrokken.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte niet ontvankelijk zal verklaren in zijn hoger beroep.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Het hof overweegt hieromtrent het navolgende.
Tegen een vonnis in eerste aanleg kan een verdachte hoger beroep instellen. Daartoe wordt, op voet van artikel 451 juncto Pro artikel 449 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv), ter griffie van het gerecht in eerste aanleg een akte opgemaakt. Door dagvaarding van de verdachte wordt, gelet op artikel 412 Sv Pro, de zaak in hoger beroep ter terechtzitting aanhangig gemaakt. Indien de verdachte het hoger beroep wil intrekken, geschiedt dit ter griffie van het gerecht in eerste aanleg. Ook van de intrekking wordt een akte opgemaakt (artikel 454 Sv Pro).
Intrekking is op grond van artikel 453 Sv Pro mogelijk tot de aanvang van de behandeling het hoger beroep, derhalve tot het uitroepen van de zaak. Daaraan is jurisprudentieel uitbreiding gegeven. Intrekking is mogelijk, ook nadat de zaak is uitgeroepen en de behandeling van de zaak ter terechtzitting een aanvang heeft genomen, zolang er geen inhoudelijk onderzoek heeft plaatsgevonden (HR 19 oktober 1993, NJ 1994, 69). Met de intrekking van het hoger beroep brengt de verdachte tot uitdrukking dat hij geen prijs meer stelt op de behandeling van zijn zaak door het appelcollege. Daaraan doet niet af of de intrekking plaatsvindt vóór of na de aanvang van de terechtzitting. De Hoge Raad heeft in genoemd arrest overwogen dat een intrekking na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting, zolang nog geen onderzoek ten gronde heeft plaatsgevonden, op één lijn moet worden gesteld met de intrekking voor aanvang van het onderzoek ter terechtzitting. De verdachte werd in voornoemde strafzaak niet-ontvankelijk in het hoger beroep verklaard.
Nu het initiatief van de intrekking bij de verdachte ligt en hij hiermee aangeeft geen belang meer te hebben bij de behandeling van zijn zaak in hoger beroep, dient dit te leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in zijn hoger beroep. Dit geldt in beide genoemde gevallen. Dit geldt eveneens in het geval dat het openbaar ministerie hoger beroep heeft ingesteld en het vervolgens intrekt; het openbaar ministerie dient dan niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn hoger beroep.
Gelet op het vorenstaande, daarbij betrokken het gelijkluidend standpunt van de advocaat-generaal, die ter onderbouwing daarvan heeft verwezen naar de Wet stroomlijnen hoger beroep (het hof begrijpt naar het gestelde in artikel 416 van Pro het Wetboek van Strafvordering), zal het hof, nu de verdachte door de intrekking van zijn hoger beroep aangeeft geen belang meer te hebben bij de behandeling van zijn strafzaak in hoger beroep, de verdachte niet ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep.
Ter zijde merkt het hof nog op, dat aangezien het voorkomt dat de verdachte van mening is dat zijn appel ten onrechte is ingetrokken, dan wel ten onrechte als ingetrokken is beschouwd, de beoordeling van de intrekking bij een aanhangig gemaakte zaak ter terechtzitting plaats dient te vinden. De rechter moet kunnen toetsen of de intrekking van het hoger beroep al dan niet rechtsgeldig heeft plaatsgevonden (zie ook de conclusie van de Advocaat-Generaal Van Dorst bij HR 22 september 1998, NJ 1999, 105). Daartoe dient de zaak te worden aangebracht ter terechtzitting in hoger beroep.
BESLISSING
Het hof:
verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.
Aldus gewezen door:
mr. H. Eijsenga, voorzitter,
mr. M. van Zinnen en mr. F.L. Muskens,
in tegenwoordigheid van mr. M.M. Tatters, griffier,
en op 9 juli 2009 ter openbare terechtzitting uitgesproken.