ECLI:NL:GHSHE:2009:BJ5460

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
18 augustus 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
20-002382-08
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 SvArt. 359a SvArt. 9a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens ernstig vormverzuim bij ontbreken cautie in verhoren

In deze strafzaak heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch het hoger beroep behandeld tegen een vonnis van de rechtbank waarin verdachte was vrijgesproken. Het hof stelde vast dat bij de laatste drie verhoren van verdachte de cautie niet was gegeven, ondanks dat dit in de processen-verbaal stond vermeld. Dit vormverzuim is ernstig en kan niet worden hersteld, waardoor het bewijs uit deze verhoren wordt uitgesloten.

Daarnaast constateerde het hof dat de processen-verbaal en de verbatim verslagen van de verhoren op essentiële punten niet overeenkomen, waarbij belangrijke nuanceringen van verdachte niet in de processen-verbaal waren opgenomen. Dit ondermijnt de waarheidsvinding.

Het overige dossiermateriaal bood onvoldoende steunbewijs voor de ten laste gelegde feiten. Daarom kon niet worden bewezen dat verdachte het strafbare feit heeft begaan, en werd hij vrijgesproken. De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd afgewezen wegens het ontbreken van een strafrechtelijke veroordeling of maatregel.

Het hof vernietigde het vonnis voor zover het de beslissing op de vordering van de benadeelde partij betrof en verklaarde deze niet-ontvankelijk. Voor het overige bevestigde het hof het vonnis van de rechtbank.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens ernstig vormverzuim door het niet geven van de cautie bij drie verhoren, waardoor bewijs wordt uitgesloten.

Uitspraak

Parketnummer: 20-002382-08
Uitspraak : 18 augustus 2009
TEGENSPRAAK
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 18 juni 2008 in de strafzaak met parketnummer 01-825537-07 tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [1964],
wonende te [woonplaats], [adres],
waarbij verdachte is vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde en de benadeelde partij niet-ontvankelijk is verklaard in haar vordering.
Hoger beroep
De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Omvang van het hoger beroep
Het hoger beroep heeft mede betrekking op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] die zich opnieuw heeft gevoegd in hoger beroep.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de eerste rechter zal vernietigen en de verdachte zal vrijspreken van het primair en subsidiair ten laste gelegde. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vordering.
De verdediging heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het primair en subsidiair ten laste gelegde.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal ten aanzien van de door de eerste rechter gegeven vrijspraak worden bevestigd met verbetering van de gronden. De motivering voor de door de eerste rechter gegeven vrijspraak komt geheel te rusten op de hieronder gegeven overwegingen.
Nu de benadeelde partij, [benadeelde], zich in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd, zal het hof ook beslissen op de vordering van de benadeelde partij.
Vrijspraak
A.
In het strafdossier zijn opgenomen vier processen-verbaal van vier verhoren van de verdachte. Elk proces-verbaal begint met de vaststelling dat verdachte de cautie wordt gegegeven.
Uit het viertal bij de behandeling in hoger beroep alsnog aan het dossier toegevoegde verbatim verslagen van die verhoren van verdachte blijkt, met uitzondering van het eerste verhoor, niet van die in de processen-verbaal vermelde cauties. Voorts heeft verbalisant [verbalisant], die bedoelde verhoren heeft afgenomen, ter terechtzitting in hoger beroep als getuige verklaard dat hij niet met zekerheid kan verklaren dat hij verdachte voorafgaand aan de drie laatste verhoren de cautie heeft medegedeeld.
B.
Onder deze omstandigheden houdt het hof het er voor dat de cautie bij de laatste drie verhoren van verdachte niet is gegeven, hetgeen een vormverzuim oplevert dat niet meer kan worden hersteld, als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering.
C.
Het hof is van oordeel dat het bepaalde van artikel 29 van Pro het Wetboek van Strafvordering, welk artikel een uitwerking is van het zogenaamde nemo tenetur-beginsel, uit welk beginsel het recht van de verdachte om te zwijgen voortvloeit, een principieel uitgangspunt voor een verdachte inhoudt en dat schending van dit beginsel een ernstig verzuim oplevert.
D.
Het hof heeft tevens vastgesteld dat de inhoud van de processen-verbaal van de verhoren van verdachte, zoals die zich in het dossier bevinden, en de verbatim verslagen van die verhoren op essentiële punten niet met elkaar overeenkomen. In het bijzonder stelt het hof vast dat de processen-verbaal geen recht doen aan door de verdachte tijdens de verhoren onder woorden gebrachte nuanceringen, terwijl die nuanceringen in dit geval van essentieel belang zijn voor de waarheidsvinding.
E.
Het hof zal gelet op bovenstaande de processen-verbaal van de verhoren van verdachte uitsluiten van het bewijs.
F.
Wat zich overigens in het dossier bevindt, levert naar het oordeel het hof onvoldoende steunbewijs op voor de aangifte van [benadeelde], zodat bij gebrek aan voldoende wettige bewijsmiddelen niet kan worden bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan wordt vrijgesproken.
Schadevergoeding
De benadeelde partij [benadeelde] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 18.600,--. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep niet toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van de niet toegewezen vordering.
Nu aan verdachte ter zake van het ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade veroorzaakt zou zijn, geen straf of maatregel wordt opgelegd en evenmin toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, kan de benadeelde partij [benadeelde] in haar vordering niet worden ontvangen.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis, waarvan beroep ten aanzien van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht.
Verklaart de benadeelde partij, [benadeelde], in haar vordering niet-ontvankelijk.
Veroordeelt de benadeelde partij, [benadeelde], in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Bevestigt het vonnis voor al het overige.
Aldus gewezen door
mr. H. Harmsen, voorzitter,
mr. K. van der Meijde en mr. N.J.M. Ruyters,
in tegenwoordigheid van mr. N. van der Velden, griffier,
en op 18 augustus 2009 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. K. van der Meijde is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.