AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Ontvankelijkheid in hoger beroep bij ontbreken grieven en niet verschijnen verdachte
De verdachte stelde hoger beroep in tegen het vonnis van de politierechter waarin hij werd veroordeeld voor het bezit van een vervalst reisdocument en het opzettelijk gebruik van een vals geschrift. Hoewel verdachte geen schriftelijke grieven binnen de wettelijke termijn had ingediend en niet was verschenen op de terechtzitting in hoger beroep, verklaarde het hof het hoger beroep ontvankelijk.
Het hof baseerde deze beslissing op gebreken in de akte van uitreiking van het vonnis, zoals een onvolledige datum en het ontbreken van informatie over de plaats en het korps van de verbalisant. Tevens was niet gebleken dat verdachte op de hoogte was gesteld van de verplichting om grieven in te dienen. Omdat de dagvaarding niet persoonlijk was uitgereikt en verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats had, kon het hof niet uitsluiten dat verdachte niet bekend was met deze verplichtingen.
Het hof bevestigde het vonnis van de politierechter, met toevoeging van artikel 63 SrPro als toepasselijk wetsartikel. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes weken, waarvan twee voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep ontvankelijk en bevestigt het vonnis van de politierechter.
Uitspraak
Parketnummer: 20-000465-09
Uitspraak : 3 november 2009
VERSTEK
dnip
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Breda van 19 november 2008 in de strafzaak met parketnummer 02-610317-07 tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.
Hoger beroep
De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof het vonnis van de rechter in eerste aanleg, waarbij verdachte ten aanzien van 1. in het bezit zijn van een reisdocument waarvan hij weet dat het vervalst is en 2. opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 weken, waarvan 2 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, zal bevestigen.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering luidt als volgt: “Indien de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend, noch mondeling bezwaren tegen het vonnis opgeeft, kan het door de verdachte ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk worden verklaard.”
De verdachte heeft niet binnen de in artikel 410, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering gestelde termijn van veertien dagen na het instellen van het hoger beroep, en evenmin daarna, schriftelijk grieven tegen het vonnis ingediend.
De verdachte is in hoger beroep niet ter terechtzitting verschenen en heeft derhalve ook niet mondeling bezwaren tegen het vonnis opgegeven. De verschenen raadsman is niet uitdrukkelijk gemachtigd de verdediging te voeren.
Het hof overweegt dat het vonnis van de rechter in eerste aanleg, blijkens een aan de mededeling uitspraak gehechte akte van uitreiking, op 29 januari omstreeks 14.19 uur door verbalisant [verbalisant] is uitgereikt aan verdachte. Het hof constateert dat de op de akte vermelde datum incompleet is, terwijl uit die akte evenmin blijkt op welke plaats het vonnis aan verdachte is uitgereikt en tot welk korps verbalisant [verbalisant] behoort. Het hof is voorts niet gebleken dat aan verdachte de mededeling is gedaan dat hij bij het instellen van hoger beroep een schriftuur houdende grieven behoorde in te dienen. Nu de dagvaarding in hoger beroep niet in persoon aan verdachte is uitgereikt en verdachte zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande is, kan het hof niet uitsluiten dat verdachte niet bekend was met de verplichting een schriftuur houdende grieven in te dienen en de termijn waarbinnen dat diende te geschieden, en dat ook niet behoorde te zijn, alsmede dat hij om eerdergenoemde redenen niet ter terechtzitting in hoger beroep is verschenen.
Gelet op het vorenstaande oordeelt het hof dat het feit dat er noch schriftelijk, noch mondeling grieven tegen het vonnis zijn opgegeven, niet aan verdachte kan worden tegengeworpen.
Het hof verklaart het door verdachte ingestelde hoger beroep ontvankelijk.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de toepasselijke wetsartikelen. Het hof constateert dat thans tevens artikel 63 vanPro het Wetboek van Strafrecht bij de toepasselijke wetsartikelen dient te worden opgenomen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 63, 225 en 231 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Bevestigt het vonnis, waarvan beroep.
Aldus gewezen door
mr. J. Huurman-van Asten, voorzitter,
mr. S.C. van Duijn en mr. F.G.H. Kristen,
in tegenwoordigheid van mr. S.J.F. Heirman, griffier,
en op 3 november 2009 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. F.G.H. Kristen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.