ECLI:NL:GHSHE:2009:BL4977

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
13 november 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/00566
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 8:75 AwbBesluit proceskosten bestuursrechtWet waardering onroerende zaken
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep gegrond wegens ontbreken volledige gedingstukken bij toestemming mondelinge behandeling

Belanghebbende had toestemming gegeven om de mondelinge behandeling van het beroep achterwege te laten, mits zijn schriftelijke reactie werd meegenomen in de overwegingen. Deze reactie werd door de rechtbank als conclusie van repliek aangemerkt en aan de heffingsambtenaar toegezonden, die vervolgens een conclusie van dupliek indiende.

Het hof oordeelt dat partijen erop moeten kunnen vertrouwen dat zij alle gedingstukken tot hun beschikking hebben wanneer zij toestemming geven om de mondelinge behandeling achterwege te laten, zoals bedoeld in artikel 8:57 Awb Pro. Dit was hier niet het geval, waardoor het hoger beroep gegrond is en de zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank voor een hernieuwde behandeling.

Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en gelast dat de heffingsambtenaar het betaalde griffierecht van €107 aan belanghebbende vergoedt. Proceskostenveroordeling wordt niet toegewezen omdat belanghebbende hier niet om heeft verzocht en het hof geen aanwijzingen heeft dat hij kosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank voor hernieuwde behandeling.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Sector belastingrecht
Derde meervoudige Belastingkamer
Kenmerk: 08/00566
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep van
X te Y
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de Rechtbank te Breda (hierna: de Rechtbank) van 21 juli 2008, nummer AWB 07/3848 in het geding tussen:
belanghebbende,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Z,
hierna: de heffingsambtenaar
betreffende de in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) aan belanghebbende gezonden beschikking van 28 februari 2007 met nummer 0000000, waarbij de waarde van de onroerende zaak A-straat 3 te Y (hierna: de woning) per de peildatum 1 januari 2005 is vastgesteld voor het tijdvak 1 januari 2007 tot en met 31 december 2007.
Onderzoek ter zitting
De zitting heeft plaatsgehad op 30 oktober 2009 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heffingsambtenaar. Belanghebbende is met bericht van verhindering niet verschenen.
Na behandeling van de zaak heeft het Hof heden, 13 november 2009, de volgende mondelinge uitspraak gedaan.
Beslissing
Het Hof:
- verklaart het hoger beroep gegrond
- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank
- wijst het geding terug naar de Rechtbank voor een hernieuwde behandeling van het beroep
- gelast dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende vergoedt het door belanghebbende ter zake van het hoger beroep betaalde griffierecht van € 107.
Gronden
Ten aanzien van het geschil
1. Nadat de heffingsambtenaar zijn verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de Rechtbank had toegezonden, heeft de Rechtbank belanghebbende een formulier toegezonden door middel waarvan toestemming kan worden verleend om een mondelinge behandeling van het beroep achterwege te laten.
2. Belanghebbende heeft dit formulier ingevuld, de hiervoor bedoelde toestemming gegeven en het formulier voorzien van zijn handtekening en de dagtekening 22 december 2007. Op het formulier heeft hij aan zijn toestemming toegevoegd de woorden: "in geval mijn schrijven dd 22 december 2007 wordt meegenomen in de overwegingen".
3. Belanghebbende heeft het formulier te zamen met een brief van 22 december 2007 aan de Rechtbank gezonden. In deze brief is een schriftelijke reactie op het verweerschrift verwoord.
4. De brief van 22 december 2007 is door de Rechtbank aangemerkt als een conclusie van repliek en als zodanig aan de heffingsambtenaar toegezonden. De heffingsambtenaar heeft daarop een conclusie van dupliek ingezonden. Deze conclusie van dupliek bevat mede een nadere feitelijke onderbouwing van het standpunt van de heffingsambtenaar.
5. Vervolgens heeft de Rechtbank uitspraak gedaan.
6. Naar het oordeel van het Hof is de in artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) neergelegde bevoegdheid gegeven voor de situatie dat het vooronderzoek is beëindigd. Partijen moeten er daarom op kunnen vertrouwen dat zij op het moment waarop zij beslissen of zij de in artikel 8:57 van Pro de Awb bedoelde toestemming desgevraagd verlenen, de beschikking hebben over alle gedingstukken. Immers, zonder kennisneming van alle gedingstukken is het niet mogelijk om te komen tot een afgewogen oordeel inzake de vraag of toestemming kan worden verleend het onderzoek ter terechtzitting achterwege te laten. Het Hof sluit zich hiermee aan bij hetgeen de Centrale Raad van Beroep heeft overwogen in zijn uitspraak van 22 augustus 1997, nr. 96/3916 en 3919 AAW/WAO, AB 1997/417.
7. Tegen de achtergrond van de klacht van belanghebbende dat er vanuit de Rechtbank geen contact of overleg met hem is geweest, moet het voorgaande leiden tot gegrondverklaring van het hoger beroep en terugwijzing van de zaak naar de Rechtbank voor een hernieuwde behandeling van het beroep.
Ten aanzien van het griffierecht
8. Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de heffingsambtenaar aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 107 te vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
9. Hoewel het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof geen termen aanwezig de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Awb. Belanghebbende heeft namelijk niet verzocht om een proceskostenvergoeding, en het Hof is ook ambtshalve niet gebleken, dat hij voor vergoeding in aanmerking komende kosten heeft gemaakt als bedoeld in artikel 1 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.
Aldus gedaan door R.J. Koopman, voorzitter, N. van Beelen en J.Th. Simons, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van M.A.M. van den Broek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 13 november 2009.
Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden
op: 24 november 2009
Het aanwenden van een rechtsmiddel:
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH
's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.
1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in
cassatie is gericht.
d. de gronden van het beroep in cassatie
Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt de indiener de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de Hoge Raad.
In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.