ECLI:NL:GHSHE:2009:BQ6355

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
3 maart 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
HD 103.005.296 T2
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schaik-Veltman
  • Venhuizen
  • Van Laarhoven
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 53 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake asbest in dak loods en woonhuis met discussie over vertegenwoordiging erfgenamen

In deze civiele zaak staat een hoger beroep centraal over de aanwezigheid van asbest in het dak van een loods en een woonhuis. De zaak volgt op eerdere vonnissen van de rechtbank Maastricht en een tussenarrest van het hof van 21 oktober 2008.

Tijdens het geding bleek dat één van de geïntimeerden, [C.], was overleden. De andere geïntimeerde, [D.], gaf aan alleen voor zichzelf te procederen en niet namens de erfgenamen van haar overleden echtgenoot. Zij stelde dat het hof [A.] c.s. niet-ontvankelijk moest verklaren in het hoger beroep tegen [C.] en dat deze niet-ontvankelijkheid ook moest gelden voor het hoger beroep tegen haar, vanwege de ondeelbare rechtsverhouding.

Het hof wees dit standpunt af omdat de procedure tot dan toe was gevoerd namens beide geïntimeerden door dezelfde procureur, die ook namens beiden een memorie van antwoord had ingediend en incidenteel appel had ingesteld. Het hof besloot de zaak aan te houden en gaf [A.] c.s. de gelegenheid om de erfgenamen van [C.] op te roepen zodat zij zich alsnog konden uitlaten over de standpunten. Hiermee wordt de procedure voortgezet met inachtneming van de belangen van de erfgenamen.

Uitkomst: Het hof wijst het beroep op niet-ontvankelijkheid af en stelt partijen in de gelegenheid de erfgenamen van de overleden geïntimeerde op te roepen.

Uitspraak

zaaknr. HD 103.005.296
ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,
sector civiel recht,
tweede kamer, van 3 maart 2009,
gewezen in de zaak van:
1. [A.],
2. [B.],
wonende te [woonplaats],
appellanten in principaal appel bij exploot van dagvaarding van 12 juli 2007,
geïntimeerden in voorwaardelijk incidenteel appel,
advocaat: mr. R.H. van Muijen,
tegen:
1. [C.],
2. [D.],
wonende te [woonplaats],
geïntimeerden in principaal appel bij gemeld exploot,
appellanten in voorwaardelijk incidenteel appel,
advocaat: mr. J.L.H. Holthuijsen,
op het hoger beroep van de door de rechtbank Maastricht gewezen vonnissen van 17 mei 2006 en 2 mei 2007 tussen principaal appellanten – hierna: [A.] c.s. - als gedaagden en principaal geïntimeerden – hierna: [C.] c.s. - als eisers,
ten vervolge op het in deze zaak gewezen tussenarrest van 21 oktober 2008.
5. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
5.1. Na het tussenarrest van 21 oktober 2008 heeft geïntimeerde sub 2.(hierna: [D.]), een akte na tussenarrest genomen, waarna [A.] c.s. een antwoordakte hebben genomen.
5.2. Daarna hebben de partijen de procesdossiers voor uitspraak overgelegd.
6. De verdere beoordeling
6.1. In voormeld tussenarrest heeft het hof geoordeeld dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg (proces-verbaal van comparitie na antwoord, gehouden op 20 december 2005), is gebleken dat geïntimeerde in het principaal appel sub 1, [C.] (hierna: [C.]) is overleden. Het hof heeft geïntimeerde sub 2 in het principaal arrest, [D.], vervolgens in de gelegenheid gesteld zich erover uit te laten of zij zowel voor zichzelf als voor de (mede)erfgenamen van haar overleden echtgenoot beoogt te procederen en in dat geval een verklaring van de erfgenamen van die strekking over te leggen.
6.2. [D.] heeft bij akte na tussenarrest te kennen gegeven dat zij in hoger beroep enkel en alleen voor zichzelf heeft geprocedeerd en niet mede op naam van de erfgenamen van [C.]. Zij concludeert dat het hof [A.] c.s. niet-ontvankelijk dient te verklaren in het hoger beroep tegen [C.] en dat die niet-ontvankelijkheid zich ook dient uit te strekken tot het hoger beroep voor zover gericht tegen [D.], omdat het hier om een ondeelbare rechtsverhouding gaat en de exceptio plurium litis consortium geldt.
6.3. Het hof merkt op dat dit standpunt van [D.] haaks staat op het feit dat zich, op de aan [D.] en [C.] tezamen uitgebrachte dagvaarding in hoger beroep, ter rolle van 24 juli 2007 uitdrukkelijk voor beide geïntimeerden een procureur heeft gesteld, deze procureur namens beide geïntimeerden een memorie van antwoord heeft genomen en namens beide geïntimeerden in incidenteel appel grieven heeft aangevoerd.
6.4. Deze en de in r.o. 3.2 van het tussenarrest van 21 oktober 2008 genoemde omstandigheden brengen mee dat, naar het oordeel van het hof, in dit geval het beroep van[D.] op niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen. Voor zover [D.] thans in afwijking van de eerder door haar gewekte indruk stelt dat zij in hoger beroep niet mede namens de erfgenamen heeft kunnen procederen, wordt naar het oordeel van het hof aan de belangen van de erfgenamen voldoende recht gedaan indien zij door [A.] c.s. alsnog in hoger beroep worden opgeroepen en in de gelegenheid worden gesteld zich over de tot nu toe gewisselde standpunten uit te laten.
Het hof zal [A.] c.s. dan ook in de gelegenheid stellen de erfgenamen alsnog in het geding in hoger beroep op te roepen (eventueel op de wijze als voorzien in art. 53 Rv Pro), waarna de erfgenamen zich bij akte uit kunnen laten over de tot nu toe gewisselde standpunten.
6.5. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
7. De uitspraak
Het hof:
verwijst de zaak naar de rol van 14 april 2009 om [A.] c.s. in de gelegenheid te stellen bij exploot de erfgenamen van geïntimeerde sub 1, wijlen [C.], op te roepen teneinde hen in de gelegenheid te stellen zich bij akte uit te laten als in r.o. 6.4 nader aangegeven;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. Van Schaik-Veltman, Venhuizen en Van Laarhoven en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 3 maart 2009.