ECLI:NL:GHSHE:2010:BN6898

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
14 september 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
20-000503-09
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 SrArt. 9a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens ontbreken van bedreiging met misdrijf tegen het leven of zware mishandeling

De verdachte werd beschuldigd van bedreiging van een verbalisant met een misdrijf tegen het leven of zware mishandeling, naar aanleiding van woorden die hij uitte nadat de verbalisant foto-opnamen had gemaakt van het kenteken van het voertuig van verdachte. De tenlastelegging betrof onder meer de woorden: “Kom maar uit je auto dan krijg je klappen, waarom maak je foto's van mij. Kom maar uit je auto dan krijg je tetsen op je ogen” en dreigementen over het beschadigen van de telefoon van de verbalisant.

Tijdens het hoger beroep heeft het hof vastgesteld dat verdachte deze woorden weliswaar heeft geuit, maar dat deze niet van dien aard waren dat de verbalisant redelijke vrees kon krijgen voor het verliezen van zijn leven of het oplopen van zwaar lichamelijk letsel. Dit oordeel bleef staan ondanks de omstandigheden dat verdachte een imposant postuur had en vergezeld was van een nadrukkelijk aanwezige passagier.

De verdediging voerde aan dat er onvoldoende bewijs was voor bedreiging en dat de woorden niet als zodanig konden worden aangemerkt. Het hof volgde deze stelling en sprak verdachte vrij. Tevens werd de vordering van de benadeelde partij tot immateriële schadevergoeding afgewezen omdat geen straf of maatregel werd opgelegd aan verdachte.

Het vonnis van de politierechter werd vernietigd en het hof deed opnieuw recht door verdachte vrij te spreken van de ten laste gelegde bedreiging. De benadeelde partij werd in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard en veroordeeld in de kosten van het geding.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van bedreiging wegens ontbreken van redelijke vrees voor dood of zwaar letsel.

Uitspraak

Parketnummer : 20-000503-09
Uitspraak : 14 september 2010
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Hertogenbosch van 16 februari 2009 in de strafzaak met parketnummer
01-000279-09 tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [1978],
wonende te [woonplaats], [adres].
Hoger beroep
De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen.
De verdediging heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde bedreiging bij gebrek aan voldoende overtuigend bewijs, althans (subsidiair) omdat de in de tenlastelegging vermelde woorden geen bedreiging in de zin van artikel 285 van Pro het Wetboek van Strafrecht inhouden. Volledig subsidiair heeft de verdediging betoogd dat de door de eerste rechter opgelegde straf door het hof zal worden gematigd dan wel dat ten aanzien van de verdachte artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht zal worden toegepast.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 3 november 2008 te [woonplaats], gemeente [woonplaats],
[verbalisant] (hoofdagent van politieregio [provincie]) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers toen aldaar opzettelijk dreigend heeft hij, verdachte, -nadat voornoemde [verbalisant] foto-opnamen had gemaakt van het kenteken van het door verdachte bestuurde voertuig- dat door hem, verdachte, bestuurde voertuig tot stilstand gebracht en/of is hij, verdachte, naar voornoemde [verbalisant] toegelopen en/of heeft hij, verdachte, die [verbalisant] de woorden toegevoegd: “Kom maar uit je auto dan krijg je klappen, waarom maak je foto's van mij. Kom maar uit je auto dan krijg je tetsen op je ogen", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of daarbij althans vervolgens heeft hij, verdachte, door het geopende portierraam een telefoon uit de handen van die [verbalisant] getrokken en/of gepakt en/of die [verbalisant] de woorden toegevoegd ”Staan er nog meer foto’s op de telefoon anders gooi ik hem hier op de grond kapot” en/of dat als hij, verdachte, een proces-verbaal zou krijgen dat hij, verdachte, die [verbalisant] wist te vinden, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak
Uit de feiten en omstandigheden, zoals die tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep aan de orde zijn gekomen, leidt het hof af dat de in de tenlastelegging genoemde bewoordingen, te weten “Kom maar uit je auto dan krijg je klappen, waarom maak je foto's van mij. Kom maar uit je auto dan krijg je tetsen op je ogen" en ”Staan er nog meer foto’s op de telefoon anders gooi ik hem hier op de grond kapot”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking door de verdachte jegens verbalisant [verbalisant] zijn geuit en dat verdachte hem heeft toegevoegd dat als hij een proces-verbaal zou krijgen hij [verbalisant] wist te vinden.
Hetgeen door de verdediging in dit verband naar voren is gebracht, vormt voor het hof geen reden om te twijfelen aan de juistheid van het door die [verbalisant] ter zake op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (pagina 23-25 van het politiedossier).
Evenwel is het hof van oordeel dat de door de verdachte geuite woorden niet van dien aard zijn, dat bij [verbalisant] de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou verliezen dan wel zwaar lichamelijk letsel zou bekomen, ook niet als daarbij de door [verbalisant] genoemde omstandigheden worden betrokken, te weten dat verdachte door zijn postuur imponeerde en vergezeld werd door een passagier die nadrukkelijk aanwezig was.
Derhalve is er naar het oordeel van het hof geen sprake van een bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht of althans met zware mishandeling in de zin van artikel 285 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
Om die redenen acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan hetgeen hem is ten laste gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.
Schadevergoeding
De benadeelde partij [verbalisant] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van EUR 500,00, nog te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum delict. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen, met uitzondering van de wettelijke rente. De benadeelde partij heeft haar vordering in hoger beroep onverkort gehandhaafd.
Nu aan verdachte ter zake van het ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade veroorzaakt zou zijn, geen straf of maatregel wordt opgelegd en evenmin toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, kan de benadeelde partij [verbalisant] in haar vordering niet worden ontvangen.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.
Verklaart niet bewezen, dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart de benadeelde partij, [verbalisant], in haar vordering niet-ontvankelijk.
Veroordeelt de benadeelde partij, [verbalisant], in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Aldus gewezen door
mr. H. Harmsen, voorzitter,
mr. K. van der Meijde en mr. J.H.M. Westenbroek,
in tegenwoordigheid van mr. H.M. Vos, griffier,
en op 14 september 2010 ter openbare terechtzitting uitgesproken.