ECLI:NL:GHSHE:2010:BN7198

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
14 september 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
HV 200.066.657
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Pouw
  • Pellis
  • Coster
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 292 lid 3 FwArt. 354 lid 1 FwArt. 354 lid 2 FwArt. 358 lid 2 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens te late indiening beroepschrift in schuldsaneringszaak

Appellante was in eerste aanleg onder de schuldsaneringsregeling geplaatst. De rechtbank stelde vast dat zij toerekenbaar tekort was geschoten in de nakoming van verplichtingen uit de regeling en beëindigde deze zonder toekenning van een schone lei. Appellante stelde hoger beroep in, maar het hof stelde vast dat het beroepschrift te laat was ingediend, namelijk op 27 mei 2010, terwijl de termijn op 26 mei 2010 eindigde.

De advocaat van appellante voerde aan dat het beroepschrift op 25 mei 2010 was opgemaakt en verzonden via een postbezorgingsbedrijf dat bezorging de volgende dag garandeert. Echter kon geen bewijs van bezorging worden overlegd. De envelop vertoonde een stempel met datum 25 mei 2010, maar de herkomst daarvan was onbekend en het hof achtte dit onvoldoende om de tijdige ontvangst aan te nemen.

Tijdens de mondelinge behandeling was appellante niet aanwezig, noch de bewindvoerder. Het hof concludeerde dat appellante niet ontvankelijk was in het hoger beroep vanwege het niet tijdig indienen van het beroepschrift en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk.

Uitkomst: Appellante is niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep wegens te late indiening van het beroepschrift.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Sector civiel recht
Uitspraak: 14 september 2010
Zaaknummer: HV 200.066.657/01
Zaaknummer eerste aanleg: 07/259 R
in de zaak in hoger beroep van:
[X.],
wonende te [woonplaats],
appellante,
hierna te noemen: [appellante],
advocaat: mr. Z. Yeral.
1. Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Breda van 18 mei 2010.
2. Het geding in hoger beroep
2.1. Bij beroepschrift met één productie, ingekomen ter griffie op 27 mei 2010, heeft [appellante] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en opnieuw rechtdoende haar schuldsanering te beëindigen met een schone lei, althans haar in de gelegenheid te stellen haar schuldsaneringsregeling met een schone lei af te kunnen maken.
2.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 6 september 2010. Bij die gelegenheid is mr. Yeral gehoord. [appellante] is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen. Mr. J. Wijker (hierna te noemen: de bewindvoerder) is met bericht van verhindering niet ter zitting verschenen.
2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- de stukken van de eerste aanleg, overgelegd door de advocaat van [appellante] bij brief d.d. 16 juni 2010;
- de brieven van de advocaat van [appellante] d.dis 28 mei 2010 en 4 juni 2010; bij laatstgenoemde brief zijn bijlagen overgelegd;
- de brieven van de bewindvoerder d.dis 14 juli 2010 en 16 juli 2010; bij eerstgenoemde brief zijn bijlagen overgelegd.
3. De beoordeling
3.1. Bij vonnis van 6 maart 2007 is ten aanzien van [appellante] de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.
3.2. Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank op de voet van artikel 354 lid 1 Faillissementswet Pro (Fw) vastgesteld dat [appellante] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. De rechtbank heeft verstaan dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling eindigt op het moment dat de slotuitdelingslijst verbindend is geworden. Aangezien inmiddels de looptijd van de schuldsaneringsregeling was verstreken, heeft de rechtbank tevens haar eindoordeel gegeven. De rechtbank heeft daarbij geen toepassing gegeven aan artikel 354 lid 2 Fw Pro, zodat op grond van artikel 358 lid 2 Fw Pro aan [appellante] geen “schone lei” is verleend. [appellante] kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
3.3. Het hof zal allereerst ambtshalve de ontvankelijkheid van [appellante] in haar hoger beroep beoordelen.
3.3.1. Ingevolge artikel 292 lid 3 Fw Pro kan de schuldenaar tegen de uitspraak tot afwijzing van het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak in hoger beroep komen. Nu het vonnis waarvan beroep op 18 mei 2010 is gewezen, betekent dit dat het beroepschrift uiterlijk op 26 mei 2010 had moeten zijn ingediend.
3.3.2. Uit de dagstempel op het beroepschrift blijkt dat dit op 27 mei 2010 ter griffie is binnengekomen. Bij brief d.d. 28 mei 2010 heeft het hof de advocaat van [appellante] verzocht enig document over te leggen waaruit zou blijken dat het beroepschrift uiterlijk op 26 mei 2010 ter griffie van het hof is binnengekomen.
De advocaat van [appellante] heeft in voormelde brieven d.dis 28 mei 2010 en 4 juni 2010 aangevoerd dat het beroepschrift op 25 mei 2010 is opgemaakt en op diezelfde dag is verzonden via het postbezorgingsbedrijf [Y.], dat garandeert dat via hen verzonden post de volgende dag wordt afgeleverd. Van [Y.] heeft de advocaat echter geen bewijs van bezorging kunnen verkrijgen. Wel deelt de advocaat het hof mee dat [appellante] het beroepschrift op 26 mei 2010 van hem heeft ontvangen en dat de Raad voor Rechtsbijstand een tevens door de advocaat op 25 mei 2010 verstuurde toevoegingsaanvraag de volgende dag heeft ontvangen.
3.3.3. Hieraan heeft de advocaat van [appellante] ter zitting toegevoegd dat hij de herkomst van de stempel in rode inkt op de envelop waarin het beroepschrift bij het hof is bezorgd die aangeeft “25 mei 2010” niet kent. Deze stempel is in ieder geval niet afkomstig van zijn kantoor.
3.4. Het hof komt tot de volgende beoordeling.
3.4.1. Het hof overweegt dat uit een door de griffie van het hof op het beroepschrift van [appellante] aangebracht stempel blijkt dat dit op 27 mei 2010 ter griffie van het hof is binnengekomen, zijnde één dag na het verstrijken van de beroepstermijn.
Van de kant van [appellante] of haar advocaat is geen enkel argument aangevoerd dat voldoende door bewijsmiddelen is onderbouwd waaruit zou moeten blijken dat [appellante] desondanks ontvankelijk is in het door haar ingestelde hoger beroep. Het hof heeft de envelop, waarin het beroepschrift aan het hof is toegezonden, nauwkeurig onderzocht en heeft daaruit niet de conclusie kunnen trekken dat het beroepschrift eerder dan op 27 mei 2010 zou zijn binnengekomen ter griffie van het hof.
De envelop vertoont een stempel in rode inkt die aangeeft “25 mei 2010”. Daarover heeft de advocaat ter zitting verklaard dat hem niet bekend is van wie dat stempel afkomstig kan zijn, in ieder geval niet van zijn kantoor.
Ook door het koeriersbedrijf dat het appelschrift bij het hof heeft bezorgd, is geen enkel kenmerk op de envelop aangebracht, anders dan mogelijk voormeld stempel in rode inkt. Wat er ook zij van de herkomst van deze stempel, de aanwezigheid daarvan op voormelde envelop kan naar het oordeel van het hof onvoldoende aannemelijk maken dat het beroepschrift op 26 mei 2010 is binnengekomen ter griffie van het hof.
3.4.2. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen kan de conclusie van het hof geen andere zijn dan dat [appellante] niet-ontvankelijk is in haar hoger beroep.
4. De uitspraak
Het hof:
verklaart [appellante] niet-ontvankelijk in het door haar ingestelde hoger beroep.
Dit arrest is gewezen door mrs. Pouw, Pellis en Coster en in het openbaar uitgesproken op 14 september 2010.