ECLI:NL:GHSHE:2010:BO4337

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
9 november 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
HV 200.072.133
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Pellis
  • Pouw
  • Walstock
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 FwArt. 288 lid 2 sub d Fw
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek toelating schuldsaneringsregeling binnen tien jaar na eerdere schone lei

In deze zaak verzocht [X.] om toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, terwijl zij minder dan tien jaar geleden reeds was toegelaten en de schone lei had gekregen. De rechtbank wees het verzoek af op grond van artikel 288 lid 2 sub d Faillissementswet Pro (Fw), dat een imperatieve afwijzingsgrond bevat voor verzoeken binnen tien jaar na eerdere toepassing.

[X.] voerde aan dat haar nieuwe schulden voortvloeiden uit omstandigheden rondom haar aan drugs verslaafde dochter en dat zij zich had laten begeleiden bij haar financiële beheer. Zij beriep zich op redelijkheid en billijkheid om een uitzondering op de strenge wettelijke regel te rechtvaardigen.

Het hof overwoog dat de wetgever bewust gekozen heeft voor een imperatieve afwijzingsgrond om het toenemende beroep op de schuldsaneringsregeling te beheersen. De door [X.] aangevoerde omstandigheden rechtvaardigen geen uitzondering op deze regel. Het hof verwijst naar een arrest van de Hoge Raad van 12 juni 2009 dat deze strikte toepassing bevestigt.

Daarom bekrachtigt het hof het vonnis van de rechtbank en wijst het verzoek van [X.] af. Hiermee blijft de afwijzing van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling in stand.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling afwijst wegens het ontbreken van een wettelijke uitzondering binnen tien jaar na eerdere schone lei.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Sector civiel recht
Uitspraak: 9 november 2010
Zaaknummer: HV 200.072.133/01
Zaaknummer eerste aanleg: 213748/FT-RK 10.939
in de zaak in hoger beroep van:
[X.],
wonende te [woonplaats],
appellante,
hierna te noemen: [X.],
advocaat: mr. V.C.A. van Wijk.
1. Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 9 augustus 2010.
2. Het geding in hoger beroep
2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 17 augustus 2010, heeft [X.] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en haar alsnog toe te laten tot de wettelijke schuldsanering.
2.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 november 2010.
Bij die gelegenheid is [X.] gehoord, bijgestaan door mr. H.L. van Toorenburg, kantoorgenoot van mr. Van Wijk.
2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 31 juli 2010;
- de stukken van de eerste aanleg, overgelegd door de advocaat van [X.], ingekomen ter griffie op 23 augustus 2010.
3. De beoordeling
3.1. [X.] heeft de rechtbank verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Uit de verklaring ex artikel 285 Faillissementswet Pro (Fw) blijkt een totale schuldenlast van ruim € 27.000,--. Daaronder bevinden zich onder meer een schuld aan Fortis Bank en de Belastingdienst ter hoogte van respectievelijk € 10.703,31 en € 3.758,00. Uit genoemde verklaring blijkt dat het minnelijke traject is mislukt, omdat niet alle schuldeisers hiermee akkoord zijn gegaan.
3.2. Bij vonnis waarvan beroep is het verzoek van [X.] afgewezen.
De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid 2 sub d Fw Pro overwogen dat een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen indien minder dan tien jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend ten aanzien van verzoeker de schuldsaneringsregeling van toepassing is geweest en een uitzondering als bedoeld in artikel 288 lid 2 sub d Fw Pro zich niet voordoet.
[X.] is bij vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 28 januari 2002 toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, welke regeling uiteindelijk is geëindigd met toekenning van de schone lei op 28 januari 2005. Naar het oordeel van de rechtbank dient het op 14 juni 2010 door [X.] gedane verzoek om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling dan ook te worden afgewezen.
[X.] kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
3.3. [X.] heeft in het beroepschrift en ter zitting - kort samengevat - onder meer aangevoerd, dat de rechtbank bij de afwijzing van het verzoek om toelating tot de schuldsaneringsregeling een andere afweging had kunnen maken. De nieuw ontstane schulden hebben te maken met haar aan drugs verslaafde dochter, die in 2005 nog bij haar in huis woonde. Om haar dochter te helpen heeft zij een lening ad € 10.000,- afgesloten bij Fortis Bank. De dochter zou deze lening afbetalen. De dochter is deze afspraak sinds het voorjaar van 2008 niet meer nagekomen en daardoor is [X.] opnieuw in financiële problemen geraakt. [X.] heeft al geruime tijd geen contact meer met haar dochter. Vervolgens heeft [X.] zich gemeld bij De Budgetteer te Schijndel om haar financiële zaken te beheren en begeleiden. Nadien is gebleken dat in de periode van budgetbeheer niet alle vaste lasten zijn betaald, waardoor de schulden in die periode nog verder zijn opgelopen.
[X.] beroept zich op de redelijkheid en billijkheid en is van mening dat, ondanks de strenge imperatieve afwijzingsgrond van artikel 288 lid 2 sub d Fw Pro, de specifieke omstandigheden van haar geval een uitzondering op de regel rechtvaardigen.
3.4. Het hof komt tot de volgende beoordeling.
3.4.1. Ingevolge artikel 288 lid 2 sub d Fw Pro dient het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling te worden afgewezen indien minder dan tien jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend ten aanzien van verzoeker de schuldsaneringsregeling van toepassing is geweest (tenzij sprake is van de in deze bepaling genoemde uitzonderingen, hetgeen, nu aan [X.] eertijds de schone lei is verleend, hier niet het geval blijkt).
3.4.2. Het hof is van oordeel dat de door [X.] gestelde omstandigheden geen uitzondering op de in artikel 288 lid 2 sub d Fw Pro neergelegde regel rechtvaardigt. In dit verband wijst het hof op het door de Hoge Raad op 12 juni 2009 gewezen arrest (LJN BH 7357). Daaruit blijkt dat de wetgever bij de wetswijziging van 1 januari 2008 bewust ter vervanging van de vóór 1 januari 2008 geldende facultatieve afwijzingsgrond van artikel 288 lid 2 onder Pro a Fw heeft gekozen voor de imperatieve afwijzings- grond van artikel 288 lid 2 onder Pro d Fw, zulks met die in deze bepaling genoemde uitzonderingen. In de lijn van voornoemd arrest is het hof van oordeel dat - evenzeer - aangenomen moet worden dat de wetgever onder ogen heeft gezien dat de imperatieve afwijzingsgrond ook zou gelden voor een geval als het onderhavige waarin de schuldenaar binnen 10 jaar wederom verzoekt om toepassing van de schuldsaneringsregeling na eerder de schone lei te hebben verkregen. Voor aanvaarding van de door [X.] bepleite uitzondering, die aan de afwijzingsgrond het imperatieve karakter weer zou ontnemen en daarmee afbreuk zou doen aan één van de hoofddoelstellingen van de per 1 januari 2008 van kracht geworden regeling, te weten beheersing – door het stellen van strenge toelatingscondities – van het toenemende beroep op de schuld- saneringsregeling en de daarmee gepaard gaande toenemende werklast voor rechter en bewindvoerder, is naar het oordeel van het gerechtshof dan ook geen ruimte.
3.5 Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.
4. De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.
Dit arrest is gewezen door mrs. Pellis, Pouw en Walstock en in het openbaar uitgesproken op 9 november 2010.