ECLI:NL:GHSHE:2010:BQ4750
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Brandenburg
- Huijbers-Koopman
- Keizer
- Rechtspraak.nl
Geen aannemingsovereenkomst tussen D. en A. vastgesteld in geschil over dakwerken
In deze civiele zaak stond centraal of tussen D. en A. een aannemingsovereenkomst was gesloten voor dakwerkzaamheden. Na uitgebreid getuigenverhoor en bestudering van schriftelijke stukken concludeerde het hof dat de gestelde overeenkomst door D. niet was bewezen.
De kern van het geschil betrof een gesprek eind augustus 2002 waarbij D. aan A. opdracht zou hebben gegeven het dakwerk te hervatten en dat D. rechtstreeks aan A. zou betalen. A. en E., de oorspronkelijke aannemer, verklaarden echter dat de overeenkomst tussen D. en E. bleef bestaan en dat de betalingsafspraak slechts een wijziging betrof in de wijze van betaling, niet in de contractuele relatie.
Het hof hechtte weinig waarde aan verklaringen die de stelling van D. ondersteunden, mede vanwege hun vaagheid, het tijdsverloop en het ontbreken van directe betrokkenheid. Ook de verklaring van de echtgenote van D. werd niet als doorslaggevend beschouwd. Uiteindelijk vernietigde het hof de eerdere vonnissen en wees de vordering van D. af, waarbij D. werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het hof wijst de vordering van D. af wegens het niet slagen in de bewijsopdracht en veroordeelt hem in de proceskosten.