ECLI:NL:GHSHE:2011:BP7399
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Brants
- Lamers
- Bogaerts-Tholen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging hoofdverblijfplaats bij vader en handhaving co-ouderschap na echtscheiding
Partijen zijn in 1992 gehuwd en hebben twee kinderen, een zoon geboren in 2000 en een dochter in 2003. Na de echtscheiding in 2010 is door de rechtbank bepaald dat de hoofdverblijfplaats van de zoon bij de vader is, met een co-ouderschapsregeling waarbij de zorg en opvoeding gelijk verdeeld zijn.
De moeder is tegen deze beslissing in hoger beroep gekomen en verzoekt de hoofdverblijfplaats van de zoon bij haar vast te stellen en de zorgregeling aan te passen, onder meer met specifieke afspraken over feestdagen, verjaardagen en vakanties. De vader betwist dat de moeder niet heeft ingestemd met de inschrijving van de zoon op zijn adres en stelt dat de zorg gelijk verdeeld is.
De Raad voor de Kinderbescherming merkt op dat het wijzigen van de hoofdverblijfplaats geen oplossing biedt voor de problemen, die vooral voortkomen uit een verstoorde communicatie tussen de ouders. Het hof stelt vast dat de moeder onvoldoende feiten heeft aangevoerd waaruit blijkt dat het belang van de zoon in het gedrang komt bij handhaving van de hoofdverblijfplaats bij de vader.
Het hof benadrukt het belang van overleg en raadt mediation aan om de communicatie te verbeteren en afspraken over de zorg en opvoeding te maken. Het verzoek van de moeder tot wijziging van de regeling wordt afgewezen en de beschikking van de rechtbank wordt bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de hoofdverblijfplaats van de zoon bij de vader en wijst het verzoek tot wijziging van de zorgregeling af.