6.3. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.
a. [X.] heeft de Turkse nationaliteit. In 1988 is hij naar Nederland gekomen, waar hij op 13 augustus 1991 in het huwelijk is getreden met een Nederlandse vrouw, [A.]. Vervolgens is aan [X.] een reguliere verblijfsvergunning tot verblijf bij zijn echtgenote verleend. In februari 2001 is hij een levensmiddelenzaak gestart in een gehuurd winkelpand in [vestigingsplaats].
b. Op 11 september 2001 heeft [X.] in zijn winkel bezoek van de vreemdelingenpolitie gehad, waarbij hij er op is gewezen dat zijn verblijfsvergunning inmiddels (per 13 maart 2001) was verlopen. In verband hiermee heeft [X.] zich in september 2001 gewend tot advocaat [Y.], destijds werkzaam bij [Z.] . Op 20 september 2001 heeft [X.] een gesprek met [Y.] gehad. Bij brief van 7 november 2001 (prod. 1 inleidende dagvaarding) heeft [Y.] aan [X.] meegedeeld dat hij de meeste kans van slagen had als hij een verblijfvergunning voor verblijf bij zijn echtgenote zou aanvragen.
c. Bij brief van 19 december 2001 (prod. 2 inleidende dagvaarding) heeft mr. [Y.] vervolgens bij [X.] om een aantal bescheiden gevraagd. De brief besluit met: “Graag zo spoedige mogelijke toezending van deze stukken zodat ik Uw zaak (verder) ter hand zal kunnen nemen.”
d. Op 21 januari 2002 is [X.] aangehouden en in vreemdelingenbewaring gesteld omdat zijn verblijfstitel per 13 maart 2001 was verlopen. Namens [X.] heeft [Y.] beroep tegen de inbewaringstelling ingesteld, welk beroep door de bestuursrechter van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch bij uitspraak van 4 februari 2002 ongegrond is verklaard (prod. 4 inleidende dagvaarding). Vervolgens is [X.] naar Turkije uitgezet. Diens levensmiddelenzaak is ontruimd.
e. Na aanvraag en verkrijging van een machtiging voorlopig verblijf, is [X.] op of omstreeks 13 juni 2002 teruggekeerd in Nederland, waar hij sedertdien legaal heeft verbleven.
f. Bij brief van 29 november 2005 (abusievelijk gedateerd op 29 december 2005) heeft [X.] een klacht jegens [Y.] ingediend bij de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Breda (prod. 2, overgelegd bij akte van 22 februari 2011). Deze klacht is door de Deken bij brief van 22 maart 2006 (prod. 3 bij conclusie van antwoord) ongegrond verklaard.
g. [X.] heeft vervolgens bij brief van 12 april 2006 de klacht voorgelegd aan de Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch. Onderdeel 1 van de klacht betrof het beweerde nalaten door [Y.] om een (nieuwe) verblijfsvergunning voor hem aan te vragen. Bij beslissing van 11 december 2006 (prod. 7 inleidende dagvaarding) heeft de Raad dit onderdeel van de klacht gegrond geacht en aan [Y.] de maatregel van enkele waarschuwing opgelegd. Bij beslissing van 22 juni 2007 heeft het Hof van Discipline de beslissing van de Raad bekrachtigd (prod. 8 inleidende dagvaarding).
h. [X.] heeft vervolgens bij brief van 10 januari 2007 (prod. 9 inleidende dagvaarding) aan de griffier van het Hof verzocht om toekenning van een schadevergoeding ten laste van mr. [Y.]. Deze brief is door het Hof van Discipline op 22 januari 2007 doorgestuurd naar [Y.].
i) Bij brief van 4 juni 2007 van [X.] en bij brief van 21 augustus 2007 van zijn raadsman (prod. 10 bij inleidende dagvaarding) is [Y.] ten slotte aansprakelijk gesteld voor de aan [X.] opgekomen schade. [Y.] heeft bij brief van 31 augustus 2007 (prod. 11 inleidende dagvaarding) elke aansprakelijkheid afgewezen.