a) OMVR heeft in 2007 in opdracht van IT juridische bijstand verleend onder meer bij de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst ter beslechting van tussen de bestuurders van IT, [bedrijfsnaam][X.] (hierna: [X.]) en [bedrijfsnaam][Y.] (hierna: [Y.]), ontstane geschillen waarover een procedure bij de rechtbank Breda liep.
b) Een e-mail van 17 oktober 2007 van IT, in de persoon van [eigennaam] [X.] (hierna: [X.]), aan OMVR luidt onder meer:
“Frans,
Ik ben om hoor. Regel het allemaal maar zodat de overeenkomst getekend kan worden. Het alleen strijden ben ik moe. (…)
Al sinds ik gekoppeld ben aan [Z.](…) heb ik het gevoel dat het niet goed gaat. Ik vind dat ik niet de aandacht krijg die ik verdien (…) Een aantal weken geleden (…) Ik ben toen gestopt met het betalen van de rekeningen aan OMVR advocaten. (ja ik weet dat er een aantal open staan). Ik dacht dat daar dan wellicht wel op gereageerd zou worden. Maar ook dat is niet het geval. (…)”
c) Voornoemde vaststellingsovereenkomst is door de partijen bij die overeenkomst ondertekend op 30 oktober 2007.
d) Bij dagvaarding van 29 november 2007 heeft [Y.] IT en [X.] in rechte betrokken tot betaling van een maand managementfee en een boete wegens niet nakoming van de vaststellingsovereenkomst. De vorderingen zijn afgewezen.
e) Een e-mail van 3 december 2007 van OMVR (Frans van Oss) aan de advocaat van [Y.] ([A.]) luidt onder meer:
“(…)Ik heb van u nog geen bericht ontvangen waarin doorhaling wordt gevraagd. Ik kan niet doorhalen als u daaraan niet meewerkt. Uw cliënte vraagt om nader stukken die mijn cliënte niet had en niet heeft. (…) Voorafgaand aan de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst heeft uw cliënte bij herhaling aangegeven niets aan administratie te hebben. Dat blijkt onjuist te zijn.
Ik leg dat vast.
Uw cliënte weigert verder mee te werken aan een normale afwikkeling, doordat zij de huurder niet heeft aangegeven dat deze aan mijn cliënte dient te betalen.
Daarvoor heb ik uw cliënte in gebreke gesteld.
Ten aanzien van de managementfee is het volstrekt duidelijk dat partijen bedoeld hebben kwijting te verlenen voor alle fee. Dat volgt ook uit de toevoeging. Voor mij is het wel duidelijk dat u en uw cliënte van meet af aan de intentie hebben gehad mij en mijn cliënte op het verkeerde been te zetten. Ik neem u dat bijzonder kwalijk en Ik zal mij, op eigen kosten, tot in hoogste instantie verzetten tegen die uitleg.”
f) Een email van 4 december 2007 van [X.] aan OMVR luidt onder meer:
“Frans,
Ik heb de afgelopen dagen mijn licht opgestoken bij andere advocaten omdat ik niet tevreden ben over de samenwerking. (…) Ik wil graag in het vervolg van deze zaak bijgestaan worden door een andere advocaat. (…) Hierbij wil ik je vragen geen werkzaamheden meer voor me te verrichten. Ik geef de opdracht aan Dhr. Van Boekel.(…)”
g) In reactie op een e-mail van OMVR met de mededeling dat zij de boekhouding opdracht heeft gegeven over te gaan tot dagvaarden vanwege een openstaand bedrag van
€ 2.740,63, reageert [X.] op 26 maart 2008:
“Geachte heer van Oss,
Dat lijkt me een stapje te ver. Ik zou graag reactie willen op mails welke ik gestuurd heb naar aanleiding van de facturen. Aangezien ik nog geen reactie ontvangen heb ben ik nog niet over gegaan tot betaling. (…)”
f) Voornoemd bedrag ziet op een negental declaraties (incl. BTW) die OMVR aan IT heeft verzonden voor werkzaamheden verricht in de periode juni 2007 tot en met februari 2008.