ECLI:NL:GHSHE:2011:BU3788

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
7 november 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
20-003912-10
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 197 SrArt. 67 Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid openbaar ministerie wegens onzorgvuldige strafvervolging ongewenst vreemdeling

De verdachte werd op 2 december 2008 tot ongewenst vreemdeling verklaard en op 17 december 2008 aangehouden wegens overtreding van artikel 197 Sr Pro. Op 28 april 2009 werd de ongewenstverklaring met terugwerkende kracht opgeheven, een beslissing die onherroepelijk werd nadat geen beroep werd ingesteld.

Desondanks startte het openbaar ministerie op 21 juli 2010 de strafvervolging, kennelijk zonder kennis van de opheffing. Het hof oordeelt dat het openbaar ministerie zich voorafgaand aan dagvaarding zorgvuldig had moeten informeren over de actuele status van de ongewenstverklaring, zeker gezien de geautomatiseerde informatie-uitwisseling binnen het ministerie.

Daarom is het hof van oordeel dat het openbaar ministerie in strijd met de goede procesorde heeft gehandeld door tot vervolging over te gaan. Het vonnis van de politierechter wordt vernietigd voor zover het betreft de tenlastelegging van ongewenst vreemdelingschap en het openbaar ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard in de strafvervolging.

Uitkomst: Het openbaar ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onzorgvuldige beoordeling van de haalbaarheid van de strafzaak.

Uitspraak

Sector strafrecht
Parketnummer: 20-003912-10
Uitspraak: 7 november 2011
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken
van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Maastricht van 6 oktober 2010 in de strafzaak met parketnummer 03-530010-09 tegen:
[verdachte]
geboren te [geboorteplaats] op [1979],
wonende te [woonplaats], [adres]
Hoger beroep
De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Omvang van het hoger beroep
Blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep moet het beroep worden begrepen als uitdrukkelijk te zijn beperkt tot de beslissing ter zake van hetgeen aan de verdachte onder 1 ten laste is gelegd.
Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof het vonnis van de politierechter, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, zal vernietigen en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde zal vrijspreken.
Van de zijde van de verdachte is primair bepleit dat het hof het openbaar ministerie in de strafvervolging ter zake van het onder 1 tenlastegelegde niet ontvankelijk zal verklaren. Subsidiair is door de verdediging ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde vrijspraak bepleit.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd, voor zover in hoger beroep aan de orde:
1.
dat hij op of omstreeks 17 december 2008 in de gemeente Schinnen, in elk geval in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van artikel 67 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift, tot ongewenst vreemdeling was verklaard.
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
Het hof stelt aan de hand van het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast:
a. bij beschikking van de Staatssecretaris van Justitie van 2 december 2008, kenmerk 9708-17-4011, is de verdachte ingevolge artikel 67, lid 1, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 tot ongewenst vreemdeling verklaard. De ongewenst-verklaring heeft tot gevolg dat de verdachte na de bekendmaking van de beschikking geen rechtmatig verblijf in Nederland kan hebben. De verdachte dient Nederland onmiddellijk - binnen 24 uur - te verlaten en kan daartoe worden uitgezet;
b. op 10 december 2008 is de beschikking van 2 december 2008 aan de verdachte uitgereikt;
c. op 17 december 2008 werd de verdachte in de gemeente Schinnen door de politie aangehouden op verdenking van overtreding van artikel 197 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr). Het proces-verbaal werd op 8 januari 2009 ontvangen op het parket van de officier van justitie te Maastricht;
d. op 28 april 2009 werd het bezwaarschrift tegen de ongewenstverklaring gegrond verklaard en werd de ongewenstverklaring opgeheven met terugwerkende kracht
tot 2 december 2008. Tegen de beslissing op bezwaar van 28 april 2009 is geen beroep ingesteld, zodat die beslissing onherroepelijk is en formele rechtskracht heeft;
e. op 21 juli 2010 ging de officier van justitie over tot dagvaarding van de verdachte ter zake van (onder meer) de onder c bedoelde verdenking.
Met de verdediging stelt het hof vast dat de onderhavige zaak zich onderscheidt van veel andere strafzaken waarin sprake is van strafvervolging ter zake van ongewenst vreemdelingschap en waarin zich, net als in de onderhavige zaak, de situatie voordoet dat de beschikking tot ongewenstverklaring naderhand alsnog wordt vernietigd of met terugwerkende kracht wordt opgeheven. Indien de vernietiging van de ongewenstverklaring of de opheffing ervan met terugwerkende kracht tot gevolg heeft dat deze - retrospectief - op de pleegdatum geacht moet worden niet te hebben bestaan, leidt die situatie tot vrijspraak van de verdenking van overtreding van artikel 197 Sr Pro.
De onderhavige zaak is in zoverre anders omdat de officier van justitie hier pas tot strafvervolging van de verdachte ter zake van ongewenst vreemdelingschap is overgegaan nadat het bezwaarschrift tegen de ongewenstverklaring al gegrond was verklaard en de ongewenstverklaring met terugwerkende kracht tot de datum van de beschikking was opgeheven.
Hieruit volgt dat de officier van justitie op 21 juli 2010 kennelijk niet bekend was met de beslissing van 28 april 2009, omdat, zou dat wel het geval zijn geweest, ernstig vermoed kan worden dat de officier van justitie dan niet (meer) tot strafvervolging zou zijn overgegaan ter zake van de verdenking van overtreding van artikel 197 Sr Pro.
Het hof is, met de verdediging, van oordeel dat van een overheidsapparaat zoals het openbaar ministerie verwacht mag worden dat het met het oog op de te betrachten zorgvuldigheid bij de beoordeling van de haalbaarheid van een zaak zich vóór het uitbrengen van de dagvaarding op de hoogte stelt van de actuele stand van zaken met betrekking tot de status van de ongewenstverklaring van de betrokken verdachte. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat dit, naar het zich laat aanzien, in deze tijd van vergaande en geautomatiseerde informatie-uitwisseling(smogelijkheden) geen onredelijke belasting van de administratie van het openbaar ministerie met zich brengt, te meer nu zowel het openbaar ministerie als de Immigratie- en Naturalisatiedienst onder één ministerie ressorteren.
Met de verdediging komt het hof tot de slotsom dat het openbaar ministerie in de onderhavige zaak met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde in strijd met de goede procesorde tot de beslissing is gekomen om tot vervolging van de verdachte over te gaan.
Het hof zal het openbaar ministerie daarom ter zake van het onder 1 tenlastegelegde in de strafvervolging niet-ontvankelijk verklaren.
BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht;
verklaart het openbaar ministerie ter zake van het onder 1 ten laste gelegde niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging.
Aldus gewezen door
mr. E.A.A.M. Pfeil, voorzitter,
mr. W.E.C.A. Valkenburg en mr. F. van Es, raadsheren,
in tegenwoordigheid van dhr. J.M.A.W. Koningstein, griffier,
en op 7 november 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. E.A.A.M. Pfeil is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.