ECLI:NL:GHSHE:2012:6294

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
21 december 2012
Publicatiedatum
1 mei 2013
Zaaknummer
20-004566-11 (OWV)
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 577b SvArt. 76 SrArt. 70 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen vaststelling wederrechtelijk verkregen voordeel bij hennepteelt

In hoger beroep is de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een veroordeelde die is veroordeeld voor hennepteelt heroverwogen. De rechtbank had het voordeel geschat op €32.737 en de betalingsverplichting vastgesteld op €20.000, maar het hof vernietigt dit vonnis en stelt de betalingsverplichting gelijk aan het geschatte voordeel.

Het hof baseert zich op eerdere veroordelingen en verklaringen van de veroordeelde over de opbrengst van hennep, waarbij 14 kilo hennep werd verkocht voor €2.800 per kilo, resulterend in een opbrengst van €39.200. Hierop worden kosten in mindering gebracht, waaronder aanschaf van stekjes, afschrijvingskosten en variabele kosten, totaal €6.463.

Het hof overweegt dat energiekosten niet in mindering worden gebracht omdat niet is gebleken dat deze kosten zijn voldaan. De veroordeelde wordt verplicht het volledige bedrag van €32.737 aan de staat te betalen, zonder verlaging wegens financiële omstandigheden, mede vanwege de mogelijkheid van uitstel of betaling in termijnen door het Openbaar Ministerie.

Uitkomst: Het hof stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €32.737 en legt de betalingsverplichting aan de veroordeelde op.

Uitspraak

Sector strafrecht
Parketnummer : 20-004566-11 OWV
Uitspraak : 21 december 2012
VERSTEK o.n.i.p.

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Roermond van 25 november 2011 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 04-127747-11 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1974,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op EUR 32.737,-- en is de betalingsverplichting van de veroordeelde aan de Staat vastgesteld op EUR 20.000,--.
De veroordeelde heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de beslissing van de rechter in eerste aanleg zal vernietigen en, te dien aanzien opnieuw rechtdoende, het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat, vaststelt op EUR 28.737,00 en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling van dat bedrag aan de staat.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis zal worden vernietigd omdat het hof, anders dan de rechtbank, geen aanleiding ziet om het bedrag dat de veroordeelde aan de staat dient te betalen, lager vast te stellen dan het bedrag waarop het wederrechtelijk voordeel wordt geschat.
Vordering
De schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot de vaststelling van het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van EUR 28.737,00 en tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de staat van het geschatte voordeel.
Door het hof gebruikte bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest.
Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.
Schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De veroordeelde is bij arrest van dit hof met parketnummer 20-004567-11, gewezen op
21 december 2012, terzake van - onder meer - het opzettelijk telen van hennep in de periode van 1 oktober 2010 tot en met 20 oktober 2010 veroordeeld tot straf.
Het hof ontleent aan de inhoud van voormelde bewijsmiddelen het oordeel, dat de veroordeelde door middel van het begaan van soortgelijke feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door veroordeelde zijn begaan, te weten uit eerdere hennepteelt, een voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft genoten.
Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal het hof met betrekking tot de opbrengst van eerdere oogsten uitgaan van de verklaring die de veroordeelde bij de politie heeft afgelegd, inhoudende dat hij uit de eerdere oogsten in totaal 14 kilo hennep heeft gehaald, die hij heeft verkocht voor € 2.800,00 per kilo. De opbrengst van de hennep bedroeg derhalve € 39.200,00.
Bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel dient acht te worden geslagen op de door de veroordeelde naar voren gebrachte en aannemelijk geworden kosten. Het hof gaat daarbij ervan uit dat het bij de eerdere oogsten in totaal ging om eenzelfde hoeveelheid planten als de hoeveelheid planten die op 20 oktober 2010 bij de veroordeelde zijn aangetroffen, te weten 890.
De veroordeelde heeft ten aanzien van de aanschaf van de stekjes verklaard dat hij per plantje € 4,50 heeft betaald. Dit bedraagt bij 890 planten € 4.005,00.
Voor het overige heeft de veroordeelde enkel verklaard dat hij de materialen voor de installatie van de kwekerij circa 11.000 euro aan materialen heeft aangeschaft, waarbij hij geen nota’s of administratie kon overleggen. Voor de afschrijvingskosten en de variabele kosten die op het geschatte voordeel in mindering dienen te worden gebracht, zal het Hof dientengevolge uitgaan van de door het Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie (hierna: BOOM) in 2005 vastgestelde normen dienaangaande.
Bij een aantal planten tussen de 800 en 899 hanteert BOOM een bedrag van € 500,00 aan afschrijvingskosten per gerealiseerde oogst.
Het bedrag aan variabele kosten, naast de aanschafprijs voor de stekjes, kan op grond van BOOM worden vastgesteld op € 2,20 per plant en bedraagt dan bij 890 planten € 1.958,00.
De totale kosten die in mindering dienen te worden gebracht op het genoten voordeel bedragen derhalve (€ 4.005,00 + € 500,00 + € 1.958,00 =) € 6.463,00.
Gelet op het vorenstaande, stelt het hof het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op (€ 39.200,00 - € 6.463,00 =) EUR € 32.737,00.
Er bestaat geen grond om energiekosten in mindering te brengen op de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel, nu uit het onderzoek ter terechtzitting niet is gebleken dat de veroordeelde deze kosten reeds heeft voldaan, terwijl ter zake van deze kosten evenmin sprake is van een in rechte toegekende vordering als bedoeld in artikel 36e, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht.
Voorts overweegt het hof dat de veroordeelde op grond van het bepaalde in artikel 577b van het Wetboek van Strafvordering de rechter kan verzoeken om een daadwerkelijk betaald bedrag aan energiekosten alsnog op het vastgestelde bedrag van die ontnemingsmaatregel in mindering te brengen.
Op te leggen betalingsverplichting
Het hof zal aan de veroordeelde de verplichting opleggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof niets gebleken omtrent de huidige financiële situatie van de veroordeelde. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om het door veroordeelde te betalen bedrag op de voet van artikel 36e, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht lager vast te stellen dan het geschatte voordeel.
Het hof is, gelet op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, van oordeel dat voorshands niet aannemelijk is geworden dat veroordeelde thans, of op enig moment alsnog, niet in staat zou zijn aan zijn betalingsverplichting te voldoen, mede gelet op de geldende verjaringstermijn voor de tenuitvoerlegging van deze betalingsverplichting ingevolge artikel 76 juncto Pro artikel 70 van Pro het Wetboek van Strafrecht, terwijl het Openbaar Ministerie gedurende die termijn onbeperkt uitstel van betaling kan verlenen en betaling in termijnen kan toestaan.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze bepaling luidde ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van €
32.737,00 (tweeëndertigduizend zevenhonderdzevenendertig euro).
Legt de veroordeelde de verplichting op tot
betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 32.737,00 (tweeëndertigduizend zevenhonderdzevenendertig euro).
Aldus gewezen door
mr. J.C.A.M. Claassens, voorzitter,
mr. C.M. Hilverda en mr. G.P.M.F. Mols, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mw. C.M. Sweep, griffier,
en op 21 december 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. G.P.M.F. Mols is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.