AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing beklag valsheid in geschrift contactjournaals Bureau Jeugdzorg
Klaagster diende een klaagschrift in tegen drie medewerkers van Bureau Jeugdzorg wegens vermeende valsheid in geschrift in contactjournaals die betrekking hadden op de uithuisplaatsing van haar zoon. De officier van justitie besloot aanvankelijk niet tot vervolging over te gaan, waarna klaagster het hof verzocht de vervolging te bevelen.
Het hof stelde vast dat de contactjournaals primair bedoeld zijn voor intern gebruik binnen Bureau Jeugdzorg en dat deze documenten de persoonlijke beleving en memoires van medewerkers bevatten. Beklaagden ontkenden opzettelijk onjuiste informatie te hebben opgenomen. Hoewel er aanwijzingen waren van onvolledigheden en onjuistheden, was er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat deze met opzet waren opgenomen.
Na nader onderzoek en advies van de advocaat-generaal besloot het hof het beklag af te wijzen. Hiermee werd bevestigd dat de contactjournaals geen bewijsbestemming hebben in de zin van valsheid in geschrift en dat de vervolging niet kan worden bevolen wegens gebrek aan bewijs.
Uitkomst: Het hof wijst het beklag af wegens onvoldoende bewijs voor opzettelijke valsheid in geschrift.
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Sector strafrecht
Klachtnummer: K11/0142
Beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 17 januari 2012 inzake het beklag ex artikel 12 vanPro het Wetboek van Strafvordering van:
[klaagster]
hierna te noemen: klaagster,
te dezer zake domicilie kiezende ten kantore van mr. L.P.H. Hameleers, advocaat te Roermond,
over de beslissing van de officier van justitie te Roermond tot het niet vervolgen van:
[beklaagde 1]
en
[beklaagde 2],
en
[beklaagde 3],
allen wonende te Roermond,
hierna te noemen: beklaagden en, ieder afzonderlijk, beklaagde,
wegens valsheid in geschrift.
De feitelijke gang van zaken.
Op 17 februari 2011 heeft klaagster namens haar zoon, [betrokkene A], aangifte gedaan van valsheid in geschrift, beweerdelijk jegens haar zoon gepleegd door beklaagden.
Op 3 maart 2011 is namens de officier van justitie door J.D.A.S. Frijns, operationeel coördinator recherche-eenheid Midden Limburg, aan klaagster bericht dat de zaak niet zal worden vervolgd omdat er geen sprake is van valsheid in geschrift.
Hierop heeft klaagster bij schrijven van 7 april 2011 een klaagschrift ingediend bij het hof, ingekomen ter griffie van het hof op 8 april 2011, met het verzoek de vervolging te bevelen.
Op 16 augustus 2011 is het klaagschrift in raadkamer van het hof aan de orde gesteld. Door de advocaat-generaal is naar voren gebracht dat er nader onderzoek wordt verricht, in de vorm van het horen van medewerkers van Bureau Jeugdzorg. Het hof heeft beslist de zaak aan te houden om de uitkomsten van het onderzoek en het advies van de advocaat-generaal af te wachten.
De advocaat-generaal heeft in het schriftelijk verslag van 7 oktober 2011 het hof geraden het beklag af te wijzen.
Op 6 december 2011 is het klaagschrift in raadkamer van het hof behandeld in aanwezigheid van klaagster en haar advocaat.
De advocaat-generaal heeft verklaard te persisteren bij het schriftelijk verslag.
De beoordeling.
Klaagster stelt dat beklaagden, allen medewerker van Bureau Jeugdzorg Limburg (hierna: BJZ), valsheid in geschrift hebben gepleegd door onjuistheden in contactjournaals op te nemen. Beklaagden waren betrokken bij het gezin [van klaagster] en in het bijzonder bij [betrokkene A], de zoon van klaagster. Bij beschikking van 2 februari 2011 is door de kinderrechter in de rechtbank Roermond machtiging verleend tot uithuisplaatsing van zoon [betrokkene A], die bij zijn vader is geplaatst. Beklaagden zouden volgens klaagster betrokken zijn geweest bij het manipuleren van informatie ten behoeve van de uithuisplaatsing van haar zoon.
Klaagster verklaart dat haar advocaat op 12 februari 2011 een e-mail heeft ontvangen van een onbekende vrouw, die zich [betrokkene B] noemt. In deze e-mail werd een bericht weergegeven dat was gericht aan [betrokkene C], teamleider van BJZ. [Betrokkene B] stelt in deze e-mail dat zij, samen met collega’s, ervoor gekozen heeft om opzettelijk zaken onvolledig en/of onjuist in de contactjournaals te vermelden. Volgens klaagster is [betrokkene B] een anagram voor [beklaagde 2], een van de beklaagden.
In raadkamer van het hof heeft de advocaat van klaagster benadrukt dat objectieve derden – onder wie het schoolhoofd van de basisschool, de huisarts en het Riagg – hebben aangegeven dat bepaalde gegevens in de contactjournaals niet juist zijn. Voorts heeft de advocaat van klaagster bepleit dat hij het niet eens is met de stelling van de hoofdofficier van justitie dat de contactjournaals geen bewijsbestemming hebben. In de ogen van de advocaat van klaagster kunnen de contactjournaals wel degelijk dienen als bewijsmiddel, nu op de website van BJZ staat dat de contactjournaals informatie bevatten voor de ouders en de rechter.
Beklaagden zijn als getuigen bij de politie gehoord. Zij ontkennen opzettelijk onjuiste informatie in de contactjournaals te hebben opgenomen. Beklaagden geven afzonderlijk van elkaar te kennen dat de contactjournaals bedoeld zijn om vast te leggen wanneer er contact met cliënten is geweest en wat de inhoud van dit contact is geweest. Voorts geven zij aan dat de contactjournaals de eigen belevingen van de medewerkers weergegeven.
Getuige [getuige X], moeder van een schoolvriendje van het zoontje van klaagster, verklaart dat de contactjournaals van beklaagde [beklaagde 1] onvolledig zijn en dat deze onjuistheden bevatten.
Het hof overweegt als volgt:
Zo de contactjournaals al bewijsbestemming zouden hebben, is het hof van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is voor het valselijk opmaken van de contactjournaals door een of meerdere beklaagden.
Met name is onvoldoende bewijs voorhanden dat beklaagden opzettelijk onjuiste informatie hebben opgenomen in de contactjournaals. Hierbij kent het hof bijzondere betekenis toe aan het feit dat beklaagden hebben verklaard dat de contactjournaals binnen Bureau Jeugdzorg primair gezien worden als een – voor intern gebruik bestemd – document waarin de memoires, ervaringen en belevingen van medewerkers worden vastgelegd naar aanleiding van hun contact met cliënten.
Gelet op het vorenstaande dient het beklag te worden afgewezen.
De beslissing.
Het hof wijst het beklag af.
Aldus gegeven door
mr. drs. E.J.M. Boogaard-Derix, voorzitter,
mr. J.P.F. Rijken en mr. F.J.M. Walstock, raadsheren,
in tegenwoordigheid van drs. S.P.F. Verheijen, griffier,