ECLI:NL:GHSHE:2012:BV9720
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep kort geding
- B.A. Meulenbroek
- I.B.N. Keizer
- Th.J.A. Kleijngeld
- Rechtspraak.nl
Beëindiging huurovereenkomst bedrijfsruimte en gevolgen voor onderhuurder na ontbinding hoofdhuurder
In deze zaak gaat het om de vraag of de ontbinding van de rechtspersoon Optic Investments BV, hoofdhuurder van een bedrijfsunit, ook de beëindiging van de huurovereenkomst en daarmee de onderhuurovereenkomst met de lunchroomhouder tot gevolg heeft. Concaris en NCI, eigenaren van het pand, vorderden ontruiming van de unit omdat Optic was opgeheven en zij meenden dat de huurovereenkomst daardoor was geëindigd.
De voorzieningenrechter wees deze vordering af omdat onvoldoende aannemelijk was dat de huurovereenkomst rechtsgeldig was beëindigd. Het hof bevestigt dit oordeel en stelt dat noch sprake is van beëindiging met wederzijds goedvinden, noch van opzegging of ontbinding van de huurovereenkomst. De inschrijving van de ontbinding van Optic in het handelsregister betekent niet dat de huurovereenkomst automatisch is geëindigd.
Voorts overweegt het hof dat artikel 7:306 lid 1 BW Pro, dat de onderhuurovereenkomst beëindigt bij beëindiging van de hoofdhuur door toewijzing van een beëindigingsvordering, hier niet van toepassing is omdat een dergelijke beëindiging niet is vastgesteld. De huurovereenkomst is derhalve verlengd tot 31 december 2015 en de onderhuurovereenkomst blijft bestaan. De vordering tot ontruiming wordt afgewezen en Concaris en NCI worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: De vordering tot ontruiming wordt afgewezen en de onderhuurder mag de bedrijfsunit blijven gebruiken tot het einde van de huurovereenkomst.