ECLI:NL:GHSHE:2012:BW1975
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- M. van Ham
- C.D.M. Lamers
- P.C.G. Brants
- Rechtspraak.nl
Afwijzing samenwoning als huwelijk in civiel hoger beroep
In deze civiele zaak stond centraal de vraag of de vrouw samenwoonde met haar partner als ware zij gehuwd, zoals bedoeld in artikel 1:160 BW Pro. De man stelde dit en droeg de bewijslast. Het hof beval de vrouw stukken in te brengen ter motivering van haar betwisting, zodat de man aanknopingspunten voor bewijslevering kreeg.
Uit de stukken en verklaringen bleek dat de vrouw en haar partner wel samenwoonden, maar dat niet kon worden vastgesteld dat zij een affectieve relatie van duurzame aard hadden die een volledige, tot lotsverbondenheid leidende levensgemeenschap vormde. De vrouw had een huurovereenkomst met haar partner en betaalde huur, en ontkende dat zij in elkaars levensonderhoud voorzagen. De man leverde geen overtuigend bewijs dat zij een gemeenschappelijke huishouding voerden als in een huwelijk.
Verder verwierp het hof de stellingen van de man over het gebruik van de auto en de financiële situatie van de vrouw, omdat hij onvoldoende bewijs leverde. Het hof volgde de bewijswaardering van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Wel compenseerde het hof de proceskosten vanwege het redelijkheid- en billijkheidsbeginsel tussen ex-echtelieden.
Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep af en bevestigt dat geen sprake is van samenwoning als huwelijk.