4.7. [appellante] voert als verweer nog aan dat haar geen redelijke termijn is gegeven om de werkzaamheden zelf uit te voeren: er is op 30 november 2009 geïnspecteerd en de werkzaamheden dienden vóór 1 december 2009 te worden uitgevoerd.
Dit verweer kan [appellante] niet baten. Van belang is allereerst dat een huurder verplicht is om bij het einde van de huur het gehuurde in goede staat terug te geven. Deze verplichting kan naar haar aard slechts worden nagekomen op het tijdstip waarop de huurovereenkomst eindigt. Is deze verplichting dan niet nagekomen, dan is de huurder in verzuim en schadeplichtig; een ingebrekestelling is daarvoor niet vereist. De vraag of de huurder al dan niet een redelijke termijn heeft gekregen om zelf het gehuurde weer in goede staat te brengen is slechts van belang voor de hoogte van de schadevergoeding waarop de verhuurder jegens de huurder aanspraak kan maken (vergelijk HR 27-11-1998 NJ 1999,380).
In dit geval ziet het hof geen aanleiding om de kosten die zijn gemaakt teneinde de in het inspectierapport d.d. 30 november 2009 genoemde werkzaamheden uit te voeren, te matigen, dit gelet op het volgende.
Onbetwist staat vast dat de huismeester van het complex, de heer [Y.], naar aanleiding van de huuropzegging, met [appellante] de afspraak heeft gemaakt dat het gehuurde op 5 november 2009 om 16.00 uur zou worden geïnspecteerd. [appellante] is deze afspraak zonder opgaaf van redenen niet nagekomen. Over de gang van zaken daarna verschillen de lezingen van partijen: volgens de woningstichting heeft de huismeester na 5 november 2009 nog talloze pogingen gedaan (aanbellen, briefjes onder de deur, telefoontjes) om een nieuwe afspraak te maken en is dat pas gelukt toen hij [appellante] op 24 november 2009 “tegen het lijf liep”. Volgens [appellante] heeft zij na de mislukte afspraak op 5 november 2009 gevraagd om een nieuwe afspraak en is het aan de woningstichting te wijten dat die nieuwe afspraak pas op 30 november 2009 plaatsvond.
Naar het oordeel van het hof kan in het midden blijven wie op dit punt gelijk heeft, aangezien door [appellante] op geen enkele wijze is onderbouwd dat zij na de huuropzegging en het niet verschijnen op de afspraak van 5 november 2009, moeite heeft gedaan om tijdig tot een inspectie van het gehuurde te komen. Hierbij komt nog dat het voor [appellante] ook zonder inspectie duidelijk moet zijn geweest dat gebreken zoals een kapot keukenkastje, kapot glaswerk, kapotte contactdozen, ondeugdelijk schilderwerk, etc., door haar vóór het einde van de huur hersteld dienden te worden.
Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat de kosten van de werkzaamheden die in het inspectierapport zijn vermeld, volledig voor rekening van [appellante] dienen te komen.
Dit geldt ook voor het schilderwerk. [appellante] heeft in haar derde grief weliswaar de noodzaak van het schilderwerk betwist, maar dat standpunt wordt door het hof verworpen: [appellante] heeft immers de woning op 30 november 2009 met de huismeester geïnspecteerd; bij die gelegenheid is, blijkens het door [appellante] voor akkoord getekende rapport, gezamenlijk geconstateerd dat het schilderwerk ondeugdelijk was. Dat er in het rapport geen specificaties zijn vermeld acht het hof niet doorslaggevend: zoals overwogen heeft [appellante] samen met de huismeester geconstateerd dat schilderwerkzaamheden noodzakelijk waren. Het kan niet anders zijn dan dat daarbij is vastgesteld op welke plaatsen het schilderwerk ondeugdelijk was.