8.1.1. In r.o. 2.1.- 2.8. van het beroepen vonnis heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. De door de rechtbank vastgestelde feiten, vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt. Het gaat in deze zaak om het volgende.
8.1.2. [geïntimeerde] en zijn toenmalige partner [ex-partner] (hierna: [ex-partner]) hadden eind 2008/begin 2009 gezamenlijk een huis gekocht. Vervolgens hebben zij dit huis niet afgenomen, reden waarom zij een contractuele boete van ongeveer € 27.000,- verschuldigd werden aan het Waarborg Garantiefonds. Rond diezelfde periode beëindigden [zoon] en [ex-partner] hun samenwoning.
[zoon] heeft aan zijn ouders gevraagd hen te helpen bij het betalen van zijn deel (de helft) van die contractuele boete.
8.1.2. [ouders] hebben vervolgens in mei 2009 een schriftelijke overeenkomst van geldlening opgesteld (c.q. doen stellen). Deze luidt voor zover van belang:
“Hierbij verklaren de ondergetekenden dat er op 20 mei 2009 een leningsovereenkomst is aangegaan (..)
Het bedrag van deze lening bedraagt € 13.500, (..)
De aflossing van deze lening is geheel vrijblijvend. De rentevoet voor deze lening bedraagt over het openstaande saldo voor de gehele looptijd 4%, jaarlijks te voldoen op 20 mei, voor de eerste keer op 20 mei 2010.
Onverbrekelijk deel uitmakend van deze overeenkomst is het feit dat, indien de Heer [geïntimeerde] nu of in de toekomst een relatie heeft, bestendigt of opnieuw aangaat met Mevrouw [ex-partner], het nog openstaande saldo van deze lening op dat moment direct opeisbaar zal worden en door de Heer [geïntimeerde] onmiddellijk zal worden terugbetaald (..)
Door deze overeenkomst te ondertekenen verklaart de Heer [geïntimeerde] op de hoogte te zijn van de inhoud van deze overeenkomst en daarmee ook accoord te gaan en tevens hierbij het hierboven genoemde bedrag ad € 13.500 te hebben ontvangen (..)”
De overeenkomst is op 20 mei 2009 door beide partijen ondertekend.
8.1.3. Op 22 mei is ten laste van de gezamenlijke bankrekening van de ouders een bedrag van € 13.419,16 afgeboekt ten gunste van het Waarborg Garantiefonds.
8.1.4. Uit afschriften uit de gemeentelijke basisadministratie van respectievelijk 1 en 24 februari 2010 blijkt dat [zoon] en [ex-partner] toen op hetzelfde woonadres stonden ingeschreven.
8.1.5. Op 30 maart 2010 heeft de advocaat van de ouders aan [zoon] onder meer geschreven:
“(..) In de geldleningovereenkomst staat opgenomen dat het openstaande saldo van deze lening direct opeisbaar is en direct door u zal worden terugbetaald indien u een relatie heeft, bestendigt of opnieuw aangaat met mevrouw [ex-partner].
Tot op heden heeft u nog geen bedrag afgelost. Bovendien woont u weer samen met mevrouw [ex-partner]. Voorgaande heeft tot gevolg dat u het geleende bedrag ad € 13.500,00 in zijn geheel dient te voldoen aan uw ouders.
Door deze verzoek ik u binnen 8 dagen na datum dezes het bedrag ad € 13.500,00 te betalen (..)”.
Hierop is door de advocaat van [geïntimeerde] gereageerd bij – niet in het geding gebrachte – brief van 12 juli 2010.
8.1.6. Bij – niet in het geding gebrachte – brief van 8 september 2010 hebben de ouders de overeenkomst van geldlening buitengerechtelijk ontbonden.
8.1.7. Op 7 april 2011 heeft [geïntimeerde] € 540,00 betaald aan de ouders, onder de vermelding: “Rente 2010”.