ECLI:NL:GHSHE:2012:BY2162

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
30 oktober 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
HV 200.110.342-01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.C. Bijleveld-van der Slikke
  • P.C.G. Brants
  • M.J.J. Bogaerts-Tholen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 1:377a lid 3c BWArt. 1:377e BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek vader tot zorg- en omgangsregeling met 15-jarige zoon wegens afwijzing contact door zoon

De vader verzocht bij het gerechtshof om een zorg- en omgangsregeling met zijn 15-jarige zoon vast te stellen, nadat eerdere regelingen niet tot daadwerkelijke omgang hadden geleid. De zoon woont bij de moeder en wenst absoluut geen contact met zijn vader. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde afwijzing van het verzoek, mede vanwege de negatieve gevoelens van de zoon en de belasting die de procedures voor hem vormen.

De moeder stelde dat de vader de zoon en haarzelf heeft lastiggevallen en dat het contact tot spanningen en angst bij de zoon leidt. De vader betwistte de beschuldigingen en stelde begeleide omgang voor. Het hof nam de mening van de zoon, die meerderjarig genoeg is om zijn wensen te uiten, zwaar mee en oordeelde dat gedwongen contact niet in het belang van de zoon is.

Het hof bekrachtigde de beschikking van de rechtbank die contact tussen vader en zoon verbood, met de overweging dat de zoon zelf vrij staat contact te zoeken wanneer hij dat wenst. Het verzoek van de vader werd daarmee afgewezen, waarbij het belang van het kind en zijn welzijn centraal stonden.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van de vader af en bekrachtigt het contactverbod met zijn zoon, waarbij het initiatief tot contact bij de zoon blijft.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Sector civiel recht
Uitspraak: 30 oktober 2012
Zaaknummer: HV 200.110.342/01
Zaaknummer eerste aanleg: 110414 / FA RK 11-1234
in de zaak in hoger beroep van:
[X.],
wonende te [woonplaats],
appellant,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. K.G.J. Verbong,
tegen
[Y.],
wonende te [woonplaats],
verweerster,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. A.W.M. Mans.
1. Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Roermond van 25 april 2012.
2. Het geding in hoger beroep
2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 19 juli 2012, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende:
primair: de beschikking van de rechtbank Roermond van 12 september 2000, welke is bekrachtigd bij beschikking van dit hof van 7 november 2001, voor zover het de omgangsregeling betreft, te wijzigen in die zin dat er een zorg- en omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige [zoon] wordt vastgesteld met de volgende inhoud:
- een eerste contact van 15.00 uur tot 16.30 uur. De vader zou met [zoon] bijvoorbeeld iets in de stad kunnen gaan drinken;
- dan gedurende de eerste vier maanden: een dag in het weekend per drie weken van 15.00 uur tot 17.00 uur;
- na vier maanden gedurende een periode van drie maanden: een dag in het weekend per drie weken van 14.00 uur tot 17.00 uur;
- na verloop van een tijdsduur van zeven maanden: gedurende een periode van drie maanden een dag in het weekend van 12.00 uur tot 17.00 uur;
- na verloop van een tijdsduur van tien maanden: gedurende een periode van drie maanden een dag in het weekend per drie weken van 10.00 uur tot 17.00 uur;
- na verloop van een tijdsduur van dertien maanden: gedurende een dag in het weekend per 14 dagen van 10.00 uur tot 17.00 uur;
- gedurende bovenstaande opbouwregeling zal de vader [zoon] eens per week op woensdag om 19.30 uur bellen.
subsidiair: te bepalen dat begeleide omgang via het BOR-project van de Mutsaersstichting dient plaats te vinden.
2.2. Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 31 augustus 2012, heeft de moeder verzocht de vader in zijn beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans het beroep als ongegrond af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
2.3.1. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 september 2012. Bij die gelegenheid zijn parti[zoon] – bijgestaan door hun advocaten – gehoord.
Tevens is de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de raad) gehoord, vertegenwoordigd door de heer R. Heckers.
De Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg (hierna te noemen: de stichting) is zonder bericht van verhindering niet ter zitting verschenen.
Ondanks bezwaren van de moeder daartoe, heeft het hof aan mevrouw Joosten (maatschappelijk werkster van de vader) toestemming gegeven om als toehoorder de mondelinge behandeling bij te wonen.
2.3.2. Het hof heeft de minderjarige [zoon] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft hiervan gebruik gemaakt door het hof twee brieven te sturen, die ter griffie zijn ingekomen op 20 augustus 2012. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van die brieven zakelijk weergegeven, waarna parti[zoon] en de raad de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.
2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 23 maart 2012;
- de brief van de raad van 27 juli 2012, waarin de raad het hof meedeelt niet over gegevens te beschikken die het hof niet reeds in zijn bezit heeft;
- de brief met één bijlage van de advocaat van de vader d.d. 28 augustus 2012;
- het faxbericht met één bijlage van 12 september 2012 van mr. E.J.A. Roeleven, kantoorgenoot van de advocaat van de
vader;
- de ter zitting van het hof door de advocaat van de vader overgelegde en voorgedragen pleitnota.
3. De beoordeling
3.1. Parti[zoon] hebben een affectieve relatie gehad. Uit deze relatie is geboren:
- [Z.] (hierna: [zoon]), op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats].
De vader heeft [zoon] erkend. [zoon] heeft het hoofdverblijf bij de moeder.
De vader is bij beschikking van het hof ’s-Hertogenbosch van 4 mei 2011 tezamen met de moeder belast met het ouderlijk gezag over [zoon]. Het gezag van de vader is beperkt in die zin dat dit gezag geen zorg- en opvoedingstaken inhoudt, het zogeheten ‘uitgekleed’ gezag.
3.2. Bij beschikking van 12 september 2000 heeft de rechtbank Maastricht een omgangsregeling tussen de vader en [zoon] vastgesteld, welke omgangsregeling door dit hof bij beschikking van 7 november 2001 is bekrachtigd.
3.3. De vader heeft de rechtbank bij verzoekschrift van 27 juli 2011 verzocht een zorgregeling tussen hem en [zoon] vast te stellen zoals in zijn verzoekschrift is geformuleerd.
De moeder heeft de rechtbank bij verweerschrift d.d. 28 september 2011 naast afwijzing van het verzoek van de vader tot een zorgregeling, subsidiair verzocht de vader het recht op omgang te ontzeggen voor onbepaalde tijd.
Bij beschikking van 2 november 2011, verbeterd bij beschikking van 7 december 2011, heeft de rechtbank Roermond onder meer de raad verzocht onderzoek te doen en uiterlijk op 14 maart 2012 rapport en advies uit te brengen over een zorgregeling tussen de vader en [zoon].
3.4. Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank Roermond de beschikking van de rechtbank Maastricht van 12 september 2000, voor zover het de omgangsregeling betreft, gewijzigd en de vader verboden om contact met [zoon] te hebben.
De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.
3.5. De vader voert, kort samengevat, het volgende aan.
De vader betwist dat het rapport van de raad zorgvuldig tot stand is gekomen. Er is onvoldoende gereageerd op zijn opmerkingen ten aanzien van het raadsrapport van 24 januari 2012. De raad heeft voor het onderzoek alleen de vader, de moeder en [zoon] geraadpleegd.
De vader meent dat ook onafhankelijke derden, zoals de school van [zoon], de huisarts en de schoolarts geraadpleegd hadden moeten worden. Voorafgaand aan het onderzoek van de raad was al duidelijk dat zowel de moeder als [zoon] zich tegen omgang zouden verzetten. [zoon] kent zijn vader niet en voor hem is er dan ook geen enkele aanleiding om met zijn vader omgang te willen. De enige reden waarom [zoon] denkt dat de vader onbetrouwbaar is, is omdat de moeder hem dit ingeeft. De vader betwist dat hij zich niet aan gemaakte afspraken zou houden. De vader heeft inderdaad een paspoort voor [zoon] aangevraagd, maar niet onder valse voorwendselen en het is nooit zijn bedoeling geweest [zoon] mee te nemen naar het buitenland. Voorts is geen onderzoek gedaan naar de effecten voor [zoon] als hij contact met zijn vader zou hebben, terwijl de rechtbank het in principe wel van belang acht dat [zoon] zijn vader kent. Gezien het feit dat [zoon] zijn vader niet kent en dat de moeder de vader zelfs in de rechtszaal een “psychopaat” noemt en dit thuis ook niet zal nalaten, zal [zoon] uit zichzelf nooit een ander beeld van zijn vader kunnen vormen en zal een verzoek om contact ook niet uit [zoon] zelf kunnen komen. De vader stelt dan ook begeleide contacten voor via het BOR-project van de Mutsaersstichting.
3.6. De moeder voert, kort samengevat, het volgende aan.
De moeder stelt dat [zoon] zijn vader wel heeft leren kennen. Helaas hebben die momenten waarop [zoon] zijn vader heeft gezien ertoe geleid dat [zoon] een negatief vaderbeeld heeft ontwikkeld. De vader heeft de moeder en [zoon] herhaaldelijk lastig gevallen in en om hun woning. De vader heeft ’s nachts op de voordeur gebonkt waardoor [zoon] overstuur is geraakt. Ook heeft de vader de ramen vernield en verscheen hij zonder aankondiging op de school van [zoon]. Tevens heeft de vader, zonder medeweten van de moeder, voor [zoon] een paspoort aangevraagd. Het had er alle schijn van dat de vader [zoon] naar Spanje wilde meenemen. [zoon] is ook op school met de vader geconfronteerd waardoor [zoon] in paniek is geraakt. De schoolleiding heeft [zoon] toen naar huis gebracht. Het is juist dat [zoon] spanningen ervaart rondom de omgang met de vader. Daarmee bedoelt [zoon] de oneindige procedures die de vader met betrekking tot de omgang heeft opgestart. Bij iedere nieuwe procedure die de vader begint, ontstaan spanningen die bij [zoon] leiden tot onzekerheid en angst. Die angst komt voort uit het vaderbeeld dat [zoon] van de vader heeft. [zoon] is bang dat hij tegen zijn wil tot omgang wordt verplicht. Ook die angst leidt tot spanningen bij [zoon]: hij slaapt dan slecht, kan zich niet concentreren en hij krijgt lichamelijke klachten. [zoon] heeft herhaaldelijk te kennen gegeven dat hij geen omgang met zijn vader wil. Hij heeft zijn mening per brief en ook persoonlijk bij verschillende rechters kenbaar gemaakt. [zoon] heeft het gevoel dat in de vele procedures die de laatste jaren door de vader zijn opgestart, zijn stem nooit is gehoord. [zoon] heeft de raadsonderzoeken als een belasting ervaren. Iedere keer moest hij tegenover een andere onbekende zijn verhaal herhalen. [zoon] wenst dat de procedures nu eindelijk stoppen en dat de vader zich neerlegt bij zijn wens om geen contact met zijn vader te hebben. [zoon] heeft de leeftijd om zelf keuzes te maken. Indien [zoon] in de toekomst contact wenst met zijn vader, zal hij zijn vader zelf benaderen. Gedwongen omgang of begeleid contact via het BOR-traject acht de moeder voor [zoon] niet geschikt, gelet op zijn leeftijd en zijn mening.
3.7. Het hof overweegt als volgt.
3.7.1. Gelet op het gezamenlijk ouderlijk gezag van parti[zoon] zal het hof het inleidend verzoek van de vader c.q. het inleidend subsidiaire verzoek van de moeder toetsen aan het bepaalde in artikel 1:253a, juncto artikel 1:377e van het Burgerlijk wetboek (hierna BW).
3.7.2. Ingevolge artikel 1:253a lid 1 BW kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd.
In het geval van een geschil omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan de rechter, gelet op artikel 1:377e BW in samenhang met artikel 1:253a lid 4 BW, een eerdere beslissing dienaangaande wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Het hof stelt vast dat de beschikking van de rechtbank Maastricht van 12 september 2000 nimmer tot omgang tussen de vader en [zoon] heeft geleid.
Reeds door tijdsverloop zijn de omstandigheden gewijzigd en kan de vader in zijn verzoek worden ontvangen.
3.7.3. De raad heeft in zijn rapport van 24 januari 2012 geadviseerd om het verzoek van de vader af te wijzen, omdat de raad een contactregeling niet meer reëel acht. Ter zitting van het hof heeft de raad dit advies herhaald.
Uit het onderzoek van de raad is gebleken dat er bij [zoon] geen enkele ruimte is om zijn vader een actieve rol in zijn leven te laten hebben. De haatgevoelens die zich bij [zoon] hebben ontwikkeld, acht de raad niet goed voor [zoon] en deze gevoelens kunnen alleen maar minder worden wanneer het onderwerp ‘vader’ voorlopig achterwege gelaten wordt. [zoon] heeft veel last van alle procedures en gesprekken met derden, wat aan een optimale ontwikkeling van [zoon] in de weg staat. Als de procedures ophouden, kan mogelijk een iets milder vaderbeeld ontstaan en dat zal [zoon] uiteindelijk ten goede komen, aldus de raad.
3.7.4. Het hof stelt voorop dat aan de zijde van de vader niet is gebleken van contra-indicaties die een contactregeling met [zoon] in de weg staan.
[zoon] heeft bij de raad, de rechtbank en het hof herhaaldelijk verklaard dat hij absoluut geen contact met zijn vader wenst. Met de raad is het hof van oordeel dat de beleving van [zoon] serieus dient te worden genomen en dat een opgelegde contactregeling met de vader averechts zou werken. Mede gelet op de leeftijd van [zoon], vijftien jaar, dient de mening van [zoon] in de besluitvorming te worden betrokken. Uit de inhoud van de stukken is gebleken dat [zoon] de pogingen van de vader tot vaststelling van een contactregeling met [zoon] als dwang heeft ervaren en dat [zoon] zich daartegen steeds harder is gaan verzetten. Op grond hiervan – en met verwijzing naar het bepaalde in lid 3 van het van overeenkomstige toepassing verklaarde artikel 1:377a BW – is het hof van oordeel dat gedwongen contact tussen de vader en [zoon] thans niet in het belang van [zoon] is. Het hof zal het hoger beroep van de vader ten aanzien van de contactregeling dan ook afwijzen.
3.7.5. De beleving van [zoon] dat de vader zichzelf met zijn verzoeken tot contact centraal stelt, volgt het hof niet. De vader heeft gedurende de afgelopen 14 jaar herhaaldelijk getracht om tot een contactregeling te komen. Dit heeft er echter nimmer toe geleid dat aan de door de rechter vastgestelde contactregelingen uitvoering is gegeven.
Het hof acht het begrijpelijk dat de vader herhaaldelijk procedures heeft gevoerd om het contact met zijn zoon te herstellen, hetgeen naar het oordeel van het hof er juist op kan duiden dat de vader zijn zoon mist en door het voeren van gerechtelijke procedures grote betrokkenheid bij zijn zoon laat zien en aldus moeite doet om zijn zoon terug te krijgen in zijn leven.
3.7.6. Het hof overweegt voorts dat het recht op contact, zowel het recht is van de ouder als van het kind om met elkaar contact te hebben. [zoon] heeft dan ook steeds de mogelijkheid zelf contact met zijn vader op te nemen. Het hof acht het niet ondenkbeeldig dat [zoon], wanneer hij in een andere leeftijdsfase komt, zijn mening met betrekking tot contact met zijn vader zal wijzigen. Het hof benadrukt dan ook nogmaals dat het [zoon] altijd vrij staat om met zijn vader contact te zoeken, wanneer hij daartoe behoefte voelt.
Tot slot overweegt het hof dat de vader tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat hij contact met [zoon] nimmer zal forceren, omdat hij begrijpt dat dit niet werkt.
3.7.7. Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen.
4. De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.C. Bijleveld-van der Slikke, P.C.G. Brants en M.J.J. Bogaerts-Tholen en in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2012.