Partijen waren gehuwd en gescheiden met vastgestelde alimentatieverplichtingen voor partner en kinderen. De man is sinds 2004 in gebreke gebleven met betaling van partneralimentatie, waardoor een achterstand van €60.115,49 is ontstaan. De vrouw verzocht om lijfsdwang om betaling af te dwingen, maar de voorzieningenrechter wees dit af wegens onvoldoende onderbouwing van haar financiële nood.
In hoger beroep oordeelt het hof dat de vrouw voldoende heeft aangetoond dat andere dwangmiddelen geen soelaas bieden, mede doordat de man in het buitenland verblijft en geen verhaalsobjecten bekend zijn. De man heeft zijn financiële onmacht niet aannemelijk gemaakt en heeft nagelaten tijdig een verzoek tot wijziging van alimentatie in te dienen.
Het hof weegt het recht op persoonlijke vrijheid van de man af tegen het belang van de vrouw en concludeert dat de man onwillig is te betalen. Daarom wordt het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigd en wordt het verzoek tot lijfsdwang toegewezen. De man wordt veroordeeld in de proceskosten.