Partijen zijn in 1995 gehuwd en hebben drie kinderen. Na hun echtscheiding in 2009 is een convenant opgesteld waarin afspraken zijn gemaakt over kinderalimentatie en partneralimentatie. De vrouw verzoekt in hoger beroep om wijziging van het convenant, met name om haar bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen vanaf 1 juli 2008 te verlagen of te laten vervallen, en om partneralimentatie vanaf 1 januari 2012.
De vrouw stelt dat zij destijds door haar psychische aandoeningen en afhankelijkheid van de man niet in staat was haar belangen goed te behartigen, en dat er sprake is van misbruik van omstandigheden en strijd met wettelijke maatstaven. De man betwist dit en stelt dat de vrouw voldoende begeleiding had en dat partijen bewust zijn afgeweken van wettelijke normen vanwege hun financiële situatie.
Het hof oordeelt dat het beroep op misbruik van omstandigheden faalt omdat de vrouw niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij een abnormale geestestoestand had of afhankelijk was van de man bij het sluiten van het convenant. Daarnaast is vastgesteld dat partijen bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven en dat er geen reden is tot wijziging van de kinderalimentatie met ingang van 1 juli 2008. Wel wordt de bijdrage van de vrouw vanaf 1 maart 2013 op nihil gesteld vanwege het stoppen van de overbedelingsuitkering.
Met betrekking tot partneralimentatie stelt het hof vast dat de man vanaf 13 februari 2012 een bijdrage moet betalen van € 856,09 bruto per maand, omdat de vrouw vanaf 1 juni 2012 zelf in haar levensonderhoud kan voorzien maar daarvoor in de periode daarvoor nog behoefte had. De draagkracht van de man is onvoldoende om in die periode bij te dragen. Het hof vernietigt het bestreden vonnis deels en wijzigt de beschikking van 8 mei 2009 overeenkomstig.