4.15.Het hof stelt het volgende voorop. De faillissementscurator kan wegens een onzorgvuldige uitoefening van zijn wettelijke taak tot beheer en vereffening van de boedel persoonlijk aansprakelijk zijn jegens degenen in wier belang hij die taak uitoefent, te weten de (gezamenlijke) schuldeisers, en jegens derden met de belangen van wie hij bij de uitoefening van die taak rekening heeft te houden, zoals de gefailleerde. Voor zover de faillissementscurator bij de uitoefening van zijn taak niet is gebonden aan regels, komt hem in beginsel een ruime mate van vrijheid toe. De curator dient zich te richten naar het belang van de boedel maar het is in beginsel aan zijn inzicht overgelaten op welke wijze en langs welke weg dat belang het beste kan worden gediend. Hetzelfde geldt voor de wijze waarop hij rekening houdt met andere bij het beheer en de afwikkeling van de boedel betrokken belangen en voor de wijze waarop hij bij dat beheer of die afwikkeling uiteenlopende, soms tegenstrijdige belangen tegen elkaar afweegt. Bij het te gelde maken van het actief van de boedel, komt de faillissementscurator de hier bedoelde vrijheid toe. De rechter heeft de vraag te beantwoorden of, uitgaande van meergenoemde vrijheid, een over voldoende inzicht en ervaring beschikkende curator die zijn taak met nauwgezetheid en inzet verricht, in de gegeven omstandigheden in redelijkheid tot de desbetreffende gedragslijn zou hebben kunnen komen. Bij deze toetsing past terughoudendheid. Voor persoonlijke aansprakelijkheid is immers vereist dat de curator ook persoonlijk een verwijt kan worden gemaakt van zijn handelen. Daarvoor is vereist dat hij gehandeld heeft terwijl hij het onjuiste van zijn handelen inzag dan wel redelijkerwijze behoorde in te zien (HR 16 december 2011, LJN BU 4204).
Duur van het faillissement
4.16.1.Nog daargelaten de vraag, of [appellanten] de als gevolg van de duur van het faillissement gestelde schade voldoende concreet heeft onderbouwd, overweegt het hof over de gestelde te lange duur van het faillissement als volgt. Zoals [geïntimeerde] ook in het voorlopig getuigenverhoor heeft verklaard, staat vast dat het hier om een relatief eenvoudig faillissement ging. Eveneens kan worden vastgesteld dat een termijn van drie en een half jaar voor de afwikkeling van een dergelijk faillissement in beginsel lang is. Echter, dit brengt niet zonder meer mee, dat de curator in strijd met de norm zoals genoemd in 4.15. en daarmee persoonlijk onrechtmatig heeft gehandeld.
4.16.2.Anders dan [appellanten] stelt, is het aan hem om voldoende concrete feiten en omstandigheden te stellen en - bij voldoende betwisting - te bewijzen die de conclusie te rechtvaardigen dat [geïntimeerde] persoonlijk aansprakelijk is jegens hem vanwege de duur van het faillissement. [appellant 1.] wijst -zoals hij zelf stelt, indicatief- onder meer op de correspondentie van [geïntimeerde] met de rechter-commissaris over de diverse lopende gerechtelijke procedures van de vennootschap. Verder voert hij aan dat, gezien de ondernemingsvorm van de vennootschap, ook [appellant 1.] en [appellante 2.] persoonlijk failliet zijn verklaard, hetgeen in een gezin met een meervoudig gehandicapte zoon uiterst problematisch is. Ook voert hij aan dat de artikelen 6 en 8 EVRM niet in acht zijn genomen.
4.16.3.[geïntimeerde] voert aan dat de doorlooptijd van het faillissement onder meer is veroorzaakt door de omstandigheid dat [appellanten] zich door tal van adviseurs ([adviseur 1.]en de advocaten Cambier, Huisman, Wind en Sluis) heeft laten bijstaan. Huisman heeft zich volgens [geïntimeerde] verzet tegen opheffing van het faillissement met het oog op het onderzoeken van de mogelijkheden een akkoord aan te bieden. Ook de voortdurende discussie over de debiteurenincasso en het uitblijven van informatie van de kant van [appellanten] heeft tot vertraging geleid volgens [geïntimeerde].
4.16.4.Tegenover deze gemotiveerde betwisting van [geïntimeerde] had [appellanten] zijn stellingen nader met concrete feiten en omstandigheden dienen te onderbouwen. [appellanten] heeft in hoger beroep volstaan met een verwijzing naar danwel herhaling van zijn stellingen in eerste aanleg. Over die stellingen oordeelt het hof als volgt. De enkele constatering dat de gerechtelijke procedures al vermeld waren in het faillissementsverslag van 26 maart 2006 en dat de correspondentie met de rechter-commissaris daarover plaatsvond vanaf november 2007, is onvoldoende om tot het oordeel te komen dat [geïntimeerde] op dit punt verwijtbaar heeft gehandeld. Ook de stelling (in reactie op het door [geïntimeerde] aangevoerde punt van de vele adviseurs) dat [geïntimeerde] de regie miste, is zeer algemeen en daarmee onvoldoende specifiek. Verder kan de onaangename situatie in het gezin van [appellanten] als zodanig evenmin leiden tot het oordeel dat [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld en dit geldt eveneens voor de stellingen van [appellanten] over het niet kunnen opzetten van een nieuwe onderneming, wat er verder ook zij van dat laatste. Tot slot heeft [appellanten] in het geheel niet toegelicht in hoeverre zijn verwijzing naar (schending van) de artikelen 6 en 8 EVRM kan leiden tot het oordeel dat [geïntimeerde] in persoon onrechtmatig heeft gehandeld, zodat ook dit betoog faalt.
De rechtbank heeft dan ook terecht en op goede gronden geoordeeld dat alleen de lange duur van het faillissement onvoldoende is om te oordelen dat er sprake is van een onrechtmatige daad van [geïntimeerde] in persoon en dat van relevante bijkomende omstandigheden op dit punt niet is gebleken. Gelet op het voorgaande, heeft [appellanten] zijn stellingen ten aanzien van dit verwijt ook in hoger beroep onvoldoende concreet onderbouwd. Voor nader -door [appellanten] c.s. op dit punt bovendien niet specifiek aangeboden- bewijs is daarom geen grond. Het betoog van [appellanten] dat de lange looptijd van het faillissement is te wijten aan een aan [geïntimeerde] persoonlijk te verwijten onrechtmatige daad, faalt.
4.17.1.Het aspect van de drie leaseauto’s heeft betrekking op een Toyota, een Mercedes type CLK en een Mercedes Sprinter.
Nu geen grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerde] voldoende heeft onderbouwd dat het beter was de Toyota aan de leasemaatschappij terug te geven en nu ook overigens in hoger beroep geen specifiek verwijt over de afwikkeling inzake de Toyota is aangevoerd, gaat het hof ervan uit dat een verwijt terzake de Toyota niet (meer) aan de orde is.
Met betrekking tot de verkoop door [geïntimeerde] van de beide Mercedessen, geldt het volgende. Het staat vast dat de leasemaatschappij deze auto’s terugvorderde en dat in totaal voor beide auto’s nog aan te betalen leasetermijnen een bedrag van € 25.471,80 openstond. [geïntimeerde] heeft de Mercedes CLK verkocht voor een bedrag van € 26.000,-- en de Mercedes Sprinter voor een bedrag van € 10.500,--. Derhalve is voor de boedel een bate van € 11.028,20 gerealiseerd.
4.17.2.Volgens [appellanten] heeft [geïntimeerde] nagelaten zich in te spannen om een zo hoog mogelijke opbrengst voor de Mercedessen te realiseren en de mogelijkheden daarvoor te onderzoeken. [appellanten] heeft een rapport overgelegd van [taxateur/autobedrijf] B.V. te [vestigingsplaats] (prod. 29 bij dagvaarding in eerste aanleg). In dit rapport wordt de maximale inkoopwaarde van de Mercedes CLK per eind 2004 geschat op € 33.021,-- (verkoopwaarde landelijk € 38.200,--) en de waarde van de Mercedes Sprinter per december 2004 op
€ 22.500,-- (zonder vermelding verkoop- of inkoopwaarde). In een brief van 21 januari 2009 van de advocaat van [appellanten] aan [taxateur/autobedrijf] (prod. 30 bij dagvaarding in eerste aanleg) worden de prijzen € 33.000,-- en € 22.500,-- aangeduid als inkoopprijzen en wordt aan[taxateur/autobedrijf] B.V. gevraagd te bevestigen dat zij bereid was de Mercedessen voor genoemde bedragen over te nemen. [vertegenwoordiger taxateur/autobedrijf] heeft handgeschreven op genoemde brief bevestigd dat hetgeen in de brief is gesteld, correct is. [appellanten] stelt dat hij [geïntimeerde] bij diverse gelegenheden er op heeft gewezen dat er aanzienlijk betere mogelijkheden tot verkoop van de auto’s waren, hetgeen door de overgelegde stukken zou worden bevestigd.
4.17.3.[geïntimeerde] voert aan dat er sprake was van tijdsdruk omdat de leasemaatschappij afgifte van de auto’s vorderde, dat hij in de boedel geen middelen had om een taxatie te laten uitvoeren en dat hij op andere wijze (onder meer door onderzoek via internet) een berekening heeft gemaakt van een naar verwachting te realiseren verkoopopbrengst. Volgens [geïntimeerde] heeft [appellant 1.] hem voorafgaand aan de verkoop van de Mercedessen nooit gewezen op[taxateur/autobedrijf] als mogelijke koper of op het eventuele bestaan van genoemd rapport. [geïntimeerde] betwist dat[taxateur/autobedrijf] op het moment van verkoop van de Mercedessen daadwerkelijk bereid zou zijn geweest deze auto’s te kopen voor de genoemde prijzen. Hij betwist tevens dat[taxateur/autobedrijf] dan bovendien ook bereid zou zijn geweest deze prijzen voor te schieten, wat nodig was om de resterende leasetermijnen te kunnen aflossen. [geïntimeerde] voert verder nog aan dat [appellanten] noch zijn toenmalige belangenbehartiger mr Cambier ten tijde van de verkoop van de auto’s bezwaren tegen zijn aanpak hebben geuit.
4.17.4.Gelet op deze betwisting van de zijde van [geïntimeerde] had het op de weg van [appellanten] gelegen om nadere feiten en omstandigheden te stellen die de conclusie kunnen rechtvaardigen dat [geïntimeerde] persoonlijk onrechtmatig handelen valt te verwijten ten aanzien van de verkoop van de Mercedessen, in aanmerking genomen de in 4.15. vermelde vrijheid van de curator en de terughoudende toepassing van de in 4.15. vermelde maatstaf. Het enkele feit dat[taxateur/autobedrijf] in 2009 schriftelijk heeft verklaard dat zij in 2004 de Mercedessen voor een hogere prijs, zoals genoemd in haar taxatierapport (van onbekende datum) had willen kopen is daartoe onvoldoende. Dit geldt te meer nu als onvoldoende betwist door [appellanten] vaststaat, dat hij [geïntimeerde] ten tijde van de verkoop niet heeft gewezen op[taxateur/autobedrijf] als mogelijke koper. Daar komt nog bij dat [appellanten] niet heeft gesteld dat[taxateur/autobedrijf] die prijs ook had willen voorschieten om aflossing van de leasetermijnen mogelijk te maken. Naar het oordeel van het hof heeft [appellanten] zijn stellingen ten aanzien van de verkoop van de Mercedessen dan ook onvoldoende onderbouwd, zodat zijn betoog op dit punt faalt. Ook op dit punt is voor nader
-door [appellanten] ook niet specifiek aangeboden- bewijs daarom geen grond.
4.18.1.Met betrekking tot de incasso van de debiteuren voert [appellanten] aan (grief 9) dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [appellanten] niet concreet heeft onderbouwd wat de schade is die veroorzaakt is doordat [geïntimeerde] te traag is geweest met de incasso van de debiteuren. Ter onderbouwing verwijst [appellanten] onder meer naar zijn in eerste aanleg naar voren gebrachte stellingen en stelt hij dat het niet althans zeer laat treffen van maatregelen ter incasso van de debiteuren [appellant 1.] uiteraard schade heeft berokkend, waarvoor hij [geïntimeerde] aansprakelijk kan houden. Verder stelt [appellanten] dat [geïntimeerde] nalaat te onderbouwen waarom kredietverzekeraar Atradius weigerde dekking te geven voor de niet te incasseren debiteuren.
4.18.2.[geïntimeerde] betwist dat er sprake was van een trage incasso van de debiteuren. Voorts voert hij aan dat het ging om een zeer moeilijk te incasseren debiteurenportefeuille en dat [appellanten] hem niet van de gevraagde, benodigde informatie voorzag. Vorderingen waren volgens [geïntimeerde] onder andere oud, niet onderbouwd, of al betaald (zonder verwerking in de administratie). Verder stelt hij (conclusie van antwoord nr. 3.57 tot en met 3.60.) dat hij over de debiteuren overleg heeft gehad met Wind (de toenmalige advocaat van [appellanten]), met [appellanten] en met incassobureau JBS (dat voor [appellanten] bepaalde debiteuren incasseerde). Wind zou [geïntimeerde], na enige correspondentie, op 18 september 2007 hebben laten weten dat het volgens [appellant 1.] geen zin meer had om de debiteuren te innen en dat het faillissement wat Wind betreft opgeheven kon worden. Volgens [geïntimeerde] heeft [appellanten] geen schade geleden en is er geen sprake van debiteuren die wel geïncasseerd hadden kunnen worden als [geïntimeerde] voor een andere aanpak had gekozen. In dat verband stelt [geïntimeerde] dat hij geen fouten heeft gemaakt (zoals het nalaten verjaringstermijnen te stuiten) waardoor debiteuren ten onrechte niet geïncasseerd hebben kunnen worden.
4.18.3.Gelet op de onderbouwde betwisting door [geïntimeerde] en op het -naar het oordeel van het hof terechte- oordeel van de rechtbank over het ontbreken van een concrete onderbouwing van schade inzake de incasso van debiteuren, had [appellanten] die gestelde schade in hoger beroep nader dienen te onderbouwen. Dit heeft hij onvoldoende gedaan. De enkele verwijzing naar de stellingen in eerste aanleg volstaat daartoe niet. Ook het enkele in hoger beroep nogmaals aangevoerde feit dat na afwikkeling van het faillissement één debiteur alsnog aan de advocaat van [appellanten] heeft betaald, is niet voldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat [appellanten] door de handelwijze van [geïntimeerde] bij de incasso van de debiteuren schade heeft geleden. Verder kan ook de herhaalde verwijzing naar de kredietverzekering bij Atradius [appellanten] niet baten. Nu [geïntimeerde] al bij conclusie van antwoord in eerste aanleg (nr. 3.66) heeft aangevoerd dat Atradius weigerde dekking te verlenen vanwege een achterstand in de premiebetaling en een geschil over de algemene voorwaarden, kon [appellanten] niet volstaan met een blote betwisting van die stelling. Het lag in deze situatie op de weg van [appellanten] om concrete feiten en omstandigheden aan te voeren die de conclusie rechtvaardigen dat door een nalaten van [geïntimeerde] Atradius niet heeft uitgekeerd (en [appellanten] daardoor schade heeft geleden).
4.18.4.Gezien het voorgaande faalt grief 9 over de incasso van de debiteuren.
4.19.1.Op vergelijkbare gronden faalt ook het betoog van [appellanten] over het fiscale aspect. In grief 10 stelt [appellanten] onder meer dat de rechtbank ten onrechte geen overwegingen heeft gewijd aan hetgeen [appellanten] heeft aangevoerd over “fiscaliteiten”. [appellanten] verwijst daarbij naar zijn stellingen in eerste aanleg. Naar het hof begrijpt, komt [appellanten] hiermee op tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellanten] niet concreet heeft onderbouwd wat de schade is die veroorzaakt is doordat [geïntimeerde] volgens [appellanten] over 2004 en de jaren daarna geen aangifte heeft gedaan.
4.19.2.[geïntimeerde] heeft onder meer betwist dat over de jaren vanaf 2004 geen aangifte is gedaan. Hij voert aan dat dit voor 2004 zou gebeuren door [getuige 1.] en dat dit in de jaren daarna door [getuige 1.] is verzorgd, waarbij de daadwerkelijke aangiftes door [appellanten] zelf zouden worden gedaan. Voorts betwist [geïntimeerde] dat [appellanten] schade heeft geleden door het gestelde achterwege laten van de aangiftes.
4.19.3.Nu [appellanten] noch in de dagvaarding in eerste aanleg noch in de conclusie van repliek concrete feiten en omstandigheden heeft aangevoerd ter onderbouwing van de door hem gestelde schade vanwege het achterwege laten van aangiftes door [geïntimeerde], is de rechtbank naar het oordeel van het hof terecht en op goede gronden tot het oordeel gekomen dat [appellanten] bedoelde schade onvoldoende concreet heeft onderbouwd en dat zijn daarop gebaseerde vordering alleen al daarom moet worden afgewezen. Nu [appellanten] in hoger beroep volstaat met het verwijzen naar zijn stellingen in eerste aanleg, komt het hof niet tot een ander oordeel. Grief 10 faalt met betrekking tot het fiscale aspect.
Gestelde bedrijfsvoortzetting door [beoogde geldschieter 1.]
4.20.1.In grief 10 stelt [appellanten] voorts dat de rechtbank ten onrechte geen overwegingen heeft gewijd aan hetgeen [appellanten] heeft aangevoerd over bedrijfsvoortzetting door [beoogde geldschieter 1.]. [appellanten] verwijst daarbij naar zijn stellingen in eerste aanleg. Het hof begrijpt deze stellingen in eerste aanleg aldus, dat [appellanten] bedoelt te betogen dat [geïntimeerde] ten onrechte geen vergoeding ten gunste van de boedel heeft gerealiseerd voor het door het bedrijf [beoogde geldschieter 1.] overnemen en afwerken van orders die oorspronkelijk door de vennootschap waren aangenomen.
4.20.2.[geïntimeerde] heeft in zijn algemeenheid betwist dat uit de opdrachtportefeuille van de vennootschap een actief kon worden gerealiseerd. Naar het hof begrijpt, stelt [geïntimeerde] (conclusie van dupliek nrs 2.20 tot en met 2.22) dat er geen derden waren die bereid waren aan hem als curator een bedrag te voldoen in verband met de overdracht van de orderportefeuille, dus ook niet [beoogde geldschieter 1.]. Volgens [geïntimeerde] stond het de door hem ontslagen werknemers van de vennootschap vrij om bij derden in dienst te treden en kan hij niet vaststellen of op deze manier aanvankelijk door [appellanten] aangenomen werk uiteindelijk door derden, bijvoorbeeld [beoogde geldschieter 1.], is uitgevoerd.
4.20.3.Het hof constateert dat [appellanten] ten aanzien van de gestelde overname door [beoogde geldschieter 1.] slechts stelt dat het aannemelijk is dat [beoogde geldschieter 1.] met het overnemen van werknemers lopende orders heeft overgenomen en afgewerkt. Naar het oordeel van het hof is deze stelling onvoldoende specifiek en onvoldoende met concrete feiten en omstandigheden onderbouwd om tot het oordeel te kunnen komen dat [beoogde geldschieter 1.] opdrachten van de vennootschap heeft overgenomen en dat [geïntimeerde] persoonlijk onrechtmatig jegens [appellanten] heeft gehandeld door niet op grond daarvan actief voor de boedel te realiseren. Voor nadere -door [appellanten] c.s. bovendien niet specifiek aangeboden- bewijsvoering is daarom ook op dit punt geen grond. De vraag of het gestelde handelen tot schade bij [appellanten] c.s. heeft geleid is verder niet ter zake dienend. Grief 10 faalt derhalve ook ten aanzien van de gestelde voortzetting door [beoogde geldschieter 1.].
Rekening en verantwoording