De man had een affectieve relatie waaruit een minderjarige zoon is geboren, waarvoor de gemeente een uitkering verleende op grond van de Wet werk en bijstand (Wwb). De gemeente legde een verhaalsbijdrage op aan de man voor de kosten van bijstand aan de minderjarige. De rechtbank Maastricht had de man veroordeeld tot betaling van een bedrag van €3.952,- over de periode van november 2011 tot april 2012.
Appellanten kwamen in hoger beroep met het verweer dat de man geen draagkracht had om deze bijdrage te betalen, mede omdat hij was toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Zij stelden dat stukken over zijn financiële situatie aan de gemeente waren verstrekt, maar dat deze niet waren ontvangen. De gemeente voerde aan dat geen stukken waren binnengekomen en dat appellanten niet hadden gereageerd op diverse brieven en besluiten.
Het hof stelde vast dat de beschikking van de rechtbank moet worden vernietigd wegens het ontbreken van draagkracht bij de man in de betreffende periode. De gemeente had de verhaalsbijdrage inmiddels op nihil vastgesteld en appellanten verzocht de procedure te beëindigen, wat niet gebeurde. Daarom veroordeelde het hof appellanten in de proceskosten van €250,- wegens onnodige procedurekosten.
Het hof wees het verzoek van de gemeente alsnog af en veroordeelde appellanten in de proceskosten, waarmee de procedure werd afgesloten.