Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
2 Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met producties;
- de memorie van antwoord met één productie;
- het pleidooi op 5 juni 2013, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd.
3.De gronden van het hoger beroep
4.De beoordeling
- dat de Maatschap geen concrete norm heeft genoemd die het Waterschap zou hebben overschreden;
- dat gesteld noch gebleken is dat het Waterschap binnen haar wettelijke taak, waaronder de voorkoming van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, niet gerechtigd was tot het plaatsen en het gebruiken van de stuwen;
- dat de Maatschap bij brieven van 17 februari 2006 en 7 mei 2006 (prod. 2 en 4 inl. dagv.) weliswaar toestemming tot het gebruik van de stuw(en) heeft onthouden, maar dat het Waterschap die toestemming van de Maatschap niet behoefde;
- dat de uit die brieven voortvloeiende bekendheid van het Waterschap met het gemotiveerde standpunt van de Maatschap, dat het gebruik van de stuwen het risico van overstromingen verhoogde wel meebracht dat het Waterschap bij de mate waarin zij na die brieven de stuwen gebruikte, met dat risico te meer rekening diende te houden;
- dat een door het Waterschap bij het beheer van de rond het perceel van de Maatschap gelegen watergangen overschreden norm dus niet is gelegen in het gebruik van de stuwen, binnen het kader van het waterbeheer, op zichzelf;
- dat wel een norm kan zijn overschreden in de wijze waarop en de mate waarin het Waterschap de stuwen heeft gebruikt;
- dat het bij de bepaling van de toepasselijke norm niet gaat om de door de Maatschap ten tonele gevoerde norm van een waterpeil van ten hoogste 27,80 m +NAP of een stuwpeil van ten hoogste 100 (zomerstand) / 120 (winterstand) cm beneden maaiveld omdat dit de maximaal verantwoorde peilen zouden zijn voor de teelt van bijzondere gewassen zoals asperges, aangezien er geen verplichting is voor het Waterschap, althans die is onvoldoende gemotiveerd gesteld, om het grondwaterbeheer zodanig te voeren dat de teelt van asperges permanent mogelijk wordt gemaakt;
- dat het aan de Maatschap is om, uitgaande van de verplichtingen die het Waterschap jegens haar had en de op grond daarvan te verwachten waterstanden, de keus voor de teelt van een bepaald gewas op het betrokken perceel te maken;
- dat dit niet anders wordt doordat de hierboven genoemde peilen zijn opgenomen in (algemene) afspraken tussen de LLTB en de waterschappen of in een keur van een ander waterschap met betrekking tot de bediening van stuwen, omdat de Maatschap als individuele ingelande daaraan geen aanspraken jegens dit waterschap kan ontlenen;
- dat de Maatschap dergelijke aanspraken in beginsel wel kan ontlenen aan hetgeen door het Waterschap aan haar is toegezegd of hetgeen zij anderszins van het Waterschap mocht verwachten;
- dat de rechtbank in dit verband niet verder komt dan de afspraken zoals die voortvloeien uit de brief van 18 november 2005 van het Waterschap aan de Maatschap (prod. 1 inl. dagv.), waarin is opgenomen dat als zomerpeil voor de teelt van asperges/vollegronds groenten 28,50 m [hof: +]NAP als uitgangspunt zal gelden;
- dat de Maatschap van het Waterschap niet meer mocht verwachten dan de handhaving van dat peil dat, nu het om een uitgangspunt - niet een absoluut maximum - gaat, in extreme omstandigheden zal kunnen worden overschreden;
- dat het er dus meer specifiek om gaat of het Waterschap kan worden verweten dat het waterpeil op 31 juli 2007 en 13 juni 2008 de 28,50 m +NAP heeft overschreden;
- dat dit naar het oordeel van de rechtbank niet het geval is;
- dat, voor zover van een overschrijding sprake is geweest, deze volgens de stellingen van beide partijen dermate gering was dat hij valt binnen de hiervoor reeds bedoelde marge ten opzichte van het 'uitgangspunt';
- dat, voor zover al niet van een toelaatbare overschrijding sprake was, geenszins vaststaat dat die (verdere) overschrijding is veroorzaakt door een onoordeelkundig gebruik van de stuwen door het Waterschap en niet door de - voor de, op die data extreme, regenval - onvoldoende waterdoorlatendheid van de grond van het perceel of andere in de risicosfeer van de Maatschap liggende factoren;
- dat de vordering dus niet kan worden gebaseerd op het in strijd met enige ter zake geldende norm gebruiken van de stuwen.
- dat de Maatschap haar vordering daarnaast heeft gebaseerd op onvoldoende onderhoud door het Waterschap van de beken en de duiker;
- dat de rechtbank over onvoldoende informatie beschikt om te kunnen beoordelen of en in hoeverre dit onvoldoende onderhoud, als van onvoldoende (dat wil zeggen: minder dan de Maatschap volgens een bepaalde norm van het Waterschap mocht verwachten) onderhoud al sprake is geweest, een zelfstandige (dat wil zeggen: onderscheiden van de andere aan de vordering ten grondslag gelegde) schade- oorzaak heeft gevormd;
- dat partijen in de gelegenheid worden gesteld zich hierover nader bij akte uit te laten, eerst de Maatschap en dan het Waterschap;
- dat, voor zover partijen van mening zijn dat een deskundigenbericht over dit onderdeel van het geschil de beoogde duidelijkheid zou kunnen brengen, zij ook daarop in hun akte kunnen ingaan, zo mogelijk onder het noemen van de namen (bij voorkeur: één naam waarover zij het eens zijn) van mogelijke deskundigen en de maximaal acceptabele hoogte van diens kosten.