Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Folietechniek B.V.en
BBY Vastgoed B.V.,
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 191182/HA ZA 08-1083)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven (met producties);
- de memorie van antwoord;
- het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd.
3.De gronden van het hoger beroep
4.De beoordeling
grieven 3 en 4richten zich ertegen dat de rechtbank in rechtsoverweging 3.1 van het tussenvonnis van 3 maart 2010 (welke rechtsoverweging een opsomming van de feiten bevat) ten onrechte een aantal van de feiten en omstandigheden die van belang zijn voor de beoordeling van geschil niet heeft opgenomen.
De rechtbank was echter niet gehouden alle omstandigheden en feiten die 4PET van belang acht in de door haar gemaakte opsomming op te nemen.
Anders dan 4PET stelt, heeft de rechtbank niet overwogen dat de biedingen uitsluitend dienden te worden gebaseerd op dat rapport; het woord uitsluitend ontbreekt in het tussenvonnis. De rechtbank heeft kennelijk niet meer bedoeld dan dat wat werd aangeboden was opgenomen in genoemd rapport. Ook deze grief faalt.
- a) Folietechniek B.V. en BBY Vastgoed B.V. zijn op 22 april 2008 respectievelijk 28 april 2008 in staat van faillissement verklaard; in beide faillissementen is mr. Verwiel voornoemd tot curator benoemd; de curator werd bij zijn werkzaamheden bijgestaan door zijn kantoorgenoot mr. Nijhuis.
- b) 4PET houdt zich bezig met de import, export en productie van polyester alsmede de recycling daarvan en alles wat daarmee verband houdt.
- c) Na het uitspreken van het faillissement van Folietechniek B.V. (hierna: Folietechniek) heeft, onder meer, 4PET zich bij de curator gemeld als gegadigde voor een doorstart; 4PET heeft op 23 april 2008 een e-mail verzonden aan mr. Nijhuis (productie 1 bij akte d.d. 2 juli 2008), waarin een indicatieve bieding is opgenomen onder meer voor het pand, de machines en de voorraad.
Wij beraden ons nog over het overnemen dan wel afkopen van het leasecontract. Naar wij hebben begrepen eindigt de lease per November 2008 en is de waarde van het contract nog ongeveer € 200.000."
- d) Op 25 april 2008 heeft de curator een aanbiedingsbrief met een informatiepakket aan de gegadigden voor een doorstart toegezonden (producties 3 en 4 bij akte d.d. 2 juli 2008). In het pakket zaten onder meer een conceptovereenkomst en het rapport [adviesbureau], waarin de taxatiewaarden onzichtbaar waren gemaakt.
- e) De aanbiedingsbrief vermeldt, voor zover hier van belang:
"De bedrijfsinventaris") onder meer de volgende bepaling opgenomen:
De curator verkoopt en levert de goederen voornoemd uitsluitend voor zover deze eigendom zijn van en aan verkoper toebehoren en voorts in de staat waarin deze zich bevinden en geeft geen enkele garantie voor onder andere het aantal, de kwaliteit en de deugdelijkheid van de bij deze overeenkomst gekochte en overgedragen goederen.
"De voorraad en het gereed product").
In artikel 7 (
"Informatie- en onderzoeksplicht") is onder meer opgenomen:
"Het is koper bekend dat de curator, te goeder trouw, de koopovereenkomst aangaat, doch dat de curator niet geacht kan worden de gehele feitelijke en juridische situatie te kennen. De curator heeft koper in de gelegenheid gesteld zich zoveel mogelijk informatie te verschaffen en heeft de curator aan koper nadere gegevens ter informatie ter beschikking gesteld; deze gegevens en/of informatie pretendeert niet een juiste en/of volledige weergave te zijn van de actuele situatie. De juridische en/of feitelijke interpretatie en inschatting van alle omstandigheden, gegevens en informatie is geheel voor rekening en risico van koper. De curator heeft aan zijn informatieplicht voldaan door koper in de gelegenheid te stellen al die onderzoeken te plegen die koper noodzakelijk heeft geacht."
onder "
Drooginstallaties":
222 1 infra-rood droger bij nr. 9, fabr. UPM, ( )"
Productiemachines":
- 2 extruders, fabr. BATTENFELD-GLOENCO
- koelwalsensectie, fabr. BATTENFELD-GLOENCO
- 1 automatische wikkelaar
- 1 droogwasinstallatie ( )"
Grondstoffen":
Het aantal tonnen is een door de Directie opgegeven hoeveelheid, welke doorgaans aanwezig is op het bedrijf. Volgens opgave is deze partij betaald."
- j) 4PET heeft de conceptovereenkomst op 28 april 2008 bij de curator ingeleverd.
- k) Bij brief van 29 april 2008 (productie 10 bij akte d.d. 2 juli 2008) heeft de curator aan [commercieel directeur 4PET] onder meer het volgende bericht:
Ik kan u mededelen dat ik toestemming heb van de zekerheidseigenaren om tot verkoop over te gaan. Meer in het bijzonder gaat het dan om de Rabobank, de ING Bank en de Lage Landen. (…)"
- l) De curator heeft nadat hij de biedingen had ontvangen overeenstemming bereikt met ING-lease en de Rabobank over de met deze partijen gesloten leasecontracten.
- m) Op 8 mei 2008 hebben partijen de definitieve overeenkomst getekend (productie 16 bij akte d.d. 2 juli 2008). Deze overeenkomst is in vergelijking met de conceptovereenkomst op een aantal punten nader uitgewerkt.
- n) De curator heeft de (hiervoor onder (g) genoemde) infrarooddroger behorende bij de gekochte folie-extrusielijn (lijn nr 9) [hierna: de Infrarooddroger] niet geleverd en voor wat betreft de voorraad is geleverd de voorraad voor zover deze bij de bezichtiging ter plaatse werd aangetroffen.
- o) Bij brief van 6 mei 2008 (productie 15 bij akte d.d. 2 juli 2008) heeft de curator aan de advocaten van 4PET inzake de Infrarooddroger onder meer meegedeeld:
Uit deze overeenkomst blijkt dat op de huurkoop nog een verschuldigd restantbedrag open stond van € 197.500.
1. een verklaring voor recht inhoudende dat de curator toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de op hem rustende verplichtingen uit hoofde van de op 29 april 2008 gesloten en op 8 mei 2008 getekende overeenkomst;
2. veroordeling van de curator tot vergoeding van alle schade die 4PET heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van die tekortkomingen, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, en te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, althans de wettelijke rente, vanaf het ontstaan van iedere schadepost tot aan de dag der algehele voldoening;
3. veroordeling van de curator in de kosten van deze procedure.
In haar tussenvonnis van 3 maart 2010 heeft de rechtbank 4PET, gelet op de stellingen die 4PET had aangevoerd, toegelaten te bewijzen
(A) dat mr. Nijhuis tijdens de bezichtiging van 28 april 2008 heeft verklaard dat de Infrarooddroger bij (extrusie)lijn 9 hoorde en dat hij alle machines die in de fabriek stonden onbezwaard kon verkopen en leveren
alsook
(B) dat mr. Nijhuis tijdens de bezichtiging van 28 april 2008 heeft verklaard dat de voorraad die zich bij derden bevond tot de boedel behoorde en door de curator verkocht en geleverd zou worden.
In haar conclusie na enquête heeft 4PET vervolgens als grondslag toegevoegd dat de curator onrechtmatig heeft gehandeld.
De rechtbank heeft in haar eindvonnis geoordeeld dat 4PET niet in haar bewijsvoering is geslaagd, en dat niet is komen vast te staan dat de curator mededelingen als door 4PET gesteld had gedaan. Zij heeft daarop de vorderingen van 4PET afgewezen, ook voor zover gegrond op onrechtmatig handelen van de curator.
In hoger beroep heeft 4PET haar vorderingen gehandhaafd, en daaraan toegevoegd een vordering tot verklaring voor recht dat de curator onrechtmatig jegens 4PET heeft gehandeld en tot vergoeding van schade als gevolg hiervan. Voorts is in de memorie van grieven opgenomen een vordering tot terugbetaling van het bedrag aan proceskosten dat 4PET aan de curator heeft betaald op grond van het eindvonnis in eerste aanleg.
Volgens 4PET heeft de rechtbank een te enge maatstaf aangelegd voor de beoordeling van de aansprakelijkheid van de curator.
Grief 2betreft de beoordeling door de rechtbank (in rechtsoverweging 2.5 van het eindvonnis) van de stelling van 4PET dat sprake is van onrechtmatig handelen van de curator.
Volgens 4PET heeft de rechtbank in die rechtsoverweging een veel te beperkte beoordelingsmaatstaf aangelegd.
4PET voert ter toelichting op deze grieven onder meer aan dat de curator op de hoogte was van het feit dat de Infrarooddroger in huurkoop was gekocht [dit omdat de directie van Folietechniek (de heren [bestuurder BBY en Folietechniek 1.], [bestuurder BBY en Folietechniek 2.] en [bestuurder Folietechniek 3.]) [adviesbureau] voorafgaand aan het faillissement en mr. Nijhuis kort na het faillissement volledig had geïnformeerd], terwijl de curator bovendien op grond van de e-mail van 4PET van woensdag 23 april 2008 precies wist wat de rechtstoestand van de Infrarooddroger was. Volgens 4PET heeft de rechtbank in die rechtsoverweging een veel te beperkte beoordelingsmaatstaf aangelegd. De curator is, aldus 4PET, toerekenbaar tekort geschoten althans heeft onrechtmatig gehandeld omdat hij heeft nagelaten om 4PET eigener beweging te informeren over alles wat hij wist van de activa die hij te koop heeft aangeboden. De wijze waarop de curator de verkoop heeft georganiseerd levert alleen al een toerekenbare tekortkoming op jegens 4PET en is jegens 4PET onrechtmatig nu de curator van geen van de zaken die hij te koop heeft aangeboden op maandag 28 april 2008 onbezwaard eigenaar was en hij van geen van de eigenaren of zekerheidsgerechtigden tot die activa op dat moment toestemming had om die activa te verkopen. 4PET biedt aan dit te bewijzen.
Volgens 4PET wist ofwel de curator dat de Infrarooddroger door hem niet kon worden geleverd omdat hij daarover geen afspraak met Battenfeld had gemaakt (hetgeen hij dan aan 4PET had moeten meedelen), ofwel wist de curator niets en dan had hij 4PET en de andere kandidaat-kopers moeten informeren over het feit dat hoogst onzeker was of hij wel iets zou kunnen leveren.
Daarnaast is de curator volgens 4PET toerekenbaar tekort geschoten dan wel heeft hij onrechtmatig gehandeld jegens 4PET omdat hij zich voldoende op de hoogte had moeten stellen van de activa en de rechtstoestand daarvan, en omdat hij de kandidaatkopers onvoldoende op de hoogte heeft gesteld. De door de curator gevolgde werkwijze komt neer op een "spel zonder nieten" omdat hij helemaal zelf kon bepalen welke activa hij zou gaan leveren voor de koopprijs die al onherroepelijk geboden was.
Een curator behoort te handelen zoals in redelijkheid mag worden verlangd van een over voldoende inzicht en ervaring beschikkende curator die zijn taak met nauwgezetheid en inzet verricht. Bij het uitoefenen van zijn taak moet de curator uiteenlopende, soms tegenstrijdige belangen behartigen, en bij het nemen van zijn beslissingen – die vaak geen uitstel kunnen leiden – moet hij ook rekening houden met uiteenlopende belangen van maatschappelijke aard (HR 19 april 1996, NJ 1996, 727). Een doelmatige afwikkeling van het faillissement behoort echter niet tot deze zwaarwegende belangen van maatschappelijke aard (HR 19 december 2003, NJ 2004, 293). Daarbij moet ook rekening worden gehouden met de omstandigheden van het geval.
Tot die omstandigheden hoort in dit geval dat sprake was van een faillissement waarin het wenselijk was dat op korte termijn beslissingen zouden worden genomen in verband met een eventuele doorstart van het bedrijf; in dit geval is de doorstart ook binnen ruim een week beklonken.
De snelheid die geboden was ontsloeg de curator echter, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en mede gelet op artikel 6:2 lid 1 BW Pro, niet van de verplichting zorgvuldig rekening te houden met de belangen van de partijen die geïnteresseerd waren in de koop van de failliete onderneming, en in het bijzonder met de belangen van de partij aan wie uiteindelijk de onderneming werd verkocht.
In dit geval was de curator er (in ieder geval door eerdergenoemde e-mail van 23 april 2008 van 4PET) van op de hoogte dat er (althans volgens 4PET) sprake was van een geleasde Infrarooddroger, en dat 4PET belang hechtte aan overname van deze droger.
De curator kon, gelet op de korte termijn waarbinnen hij tot een beslissing diende te komen, niet tot in detail op de hoogte raken van de rechtstoestand van alle voorwerpen die zich op het terrein van de onderneming bevonden, zodat begrijpelijk is dat hij wat dit betreft een voorbehoud heeft gemaakt. Het hof acht het echter onaannemelijk dat voor de curator de tijd ontbrak zich voor wat betreft de waardevollere delen van de onderneming – zoals de Infrarooddroger – op de hoogte te stellen van de rechtstoestand daarvan, zeker als daarvoor al vroeg aandacht was gevraagd door een belangstellende kandidaat-koper (zoals ten aanzien van de Infrarooddroger door 4PET, één dag na het uitspreken van het faillissement).
Uit de door de curator zelf als productie 3 bij conclusie van antwoord overgelegde verklaring van [bestuurder BBY en Folietechniek 1.] en [bestuurder BBY en Folietechniek 2.], (indirect) bestuurders van Folietechniek en BBY Vastgoed B.V., blijkt dat zij kort voor het faillissement van hun ondernemingen met de vertegenwoordigers van 4PET contact hebben gehad waarbij alle machines van Folietechniek zijn nagelopen en toegelicht, en door welk overleg 4PET wist dat de Infrarooddroger geleased was. Niet valt in te zien dat de curator niet ook een dergelijk onderhoud had kunnen hebbenmet deze bestuurders, althans zich door hen (ook) wat dit betreft had kunnen laten voorlichten.
Daar komt bij dat de Infrarooddroger zich op het terrein van het bedrijf bevond (en dus in beginsel in de transactie was begrepen), dat deze in de lijst van [adviesbureau] niet als geleasde machine stond aangemerkt, een aanzienlijke waarde had vergeleken met de totale waarde van de machines (de machine had een waarde van € 200.000, terwijl het totale bod op alle machines € 2.050.000 bedroeg), en gekoppeld was aan de ING-machine, waarvan voor 4PET (volgens eerdergenoemde e-mail) de verkrijging een vereiste was voor het doorgaan van de transactie.
hetzijook de Infrarooddroger moeten verwerven (indien dat met de gelet op de gedane biedingen beschikbare middelen mogelijk was),
hetzijhet bod van 4PET niet zonder meer mogen accepteren.
In dit laatste geval had hij 4PET ervan op de hoogte moeten stellen dat de Infrarooddroger niet in de transactie was begrepen, en 4PET
ofwelin de gelegenheid moeten stellen haar bod in te trekken
ofweldat aan te passen. Diezelfde mogelijkheid zou dan ook geboden moeten zijn aan de andere kandidaatkopers die een bod hadden gedaan, en er had een nieuwe biedingsronde moeten worden gehouden.
Nu de curator niets van dit alles heeft gedaan heeft hij in strijd gehandeld met zijn (pre)contractuele verplichtingen jegens 4PET.
De grieven 1 en 2 slagen.
Over de omvang van de schade is nader debat tussen partijen noodzakelijk. Het hof zal wat dit betreft de zaak verwijzen naar de schadestaatprocedure, zoals 4PET heeft gevorderd.
Daar komt bij dat 4PET, anders dan ten aanzien van de Infrarooddroger, wat die voorraad betreft, geen bijzondere aandacht heeft gevraagd van de curator.
Het hof begrijpt dat 4PET met de grief tevens aanvoert dat de rechtbank niet kon volstaan met de bewijsopdracht inzake beweerde uitlatingen van de curator, maar ook had moeten beoordelen wat rechtens was als de curator geen dan wel onvolledige informatie had verstrekt. In zoverre wordt met deze grief hetzelfde betoogd als hetgeen wordt aangevoerd in de grieven 1 en 2, zodat zij – nu deze grieven slagen – geen zelfstandige behandeling behoeft.
Ten aanzien van de zich buiten het bedrijfsterrein bevindende voorraad en bewijsopdracht (B) verwijst het hof naar hetgeen het heeft overwogen in rechtsoverweging 4.11 hiervoor.
Naar het oordeel van het hof was hetgeen 4PET in eerste aanleg heeft aangevoerd onvoldoende om voorshands tot de conclusie te komen dat de curator bij 4PET de indruk gewekt heeft dat deze zich elders bevindende (en onbezwaarde) voorraad was inbegrepen in het geheel waarop een bod moest worden gedaan.
Derhalve lag bewijsopdracht (B) in de rede.
In zoverre faalt de grief.
De rechtbank had volgens 4PET moeten oordelen dat het bewijs wel degelijk door 4PET geleverd was.
Aan 4PET was onder meer opgedragen te bewijzen hetgeen hiervoor is gerelateerd onder (A) in rechtsoverweging 4.5, derhalve: dat mr. Nijhuis tijdens de bezichtiging van 28 april 2008 heeft verklaard dat de Infrarooddroger bij (extrusie)lijn 9 hoorde en dat hij alle machines die in de fabriek stonden onbezwaard kon verkopen en leveren.
[commercieel directeur 4PET] heeft als getuige verklaard dat hem door mr. Nijhuis is gezegd dat er een Battenfelddroger was waar lease op zat en dat hij geen gesprek met Battenfeld behoefde aan te gaan omdat dat onder de verantwoordelijkheid van de curator viel. Ook heeft mr. Nijhuis volgens [commercieel directeur 4PET] tegen hem gezegd dat hij een bod moest doen op de machines zoals die er waren. De inhoud van deze volgens [commercieel directeur 4PET] door Nijhuis gedane mededelingen strookt niet of slechts zeer ten dele met de aan 4PET verstrekte bewijsopdracht inzake verklaringen die Nijhuis zou hebben gedaan. Het hof deelt dan ook het oordeel van de rechtbank dat [commercieel directeur 4PET] niet volgens het probandum heeft verklaard.
De grief is wel gegrond voor zover die zich richt tegen de overweging van de rechtbank dat [commercieel directeur 4PET] op 28 april 2008 de machines niet heeft bezichtigd, zodat daarmee is uitgesloten dat mr. Nijhuis tijdens de bezichtiging van 28 april heeft verklaard dat de Infrarooddroger bij lijn 9 behoorde en dat hij alle machines die in de fabriek stonden onbezwaard kon verkopen en leveren.
Die conclusie kan inderdaad op grond van de verklaringen van [commercieel directeur 4PET] niet getrokken worden. Mr. Nijhuis kan dit immers ook verklaard hebben in het geval dat [commercieel directeur 4PET] de machines niet had bezichtigd.
Dit kan 4PET echter niet baten. [commercieel directeur 4PET] heeft als getuige niet verklaard dat mr. Nijhuis mededelingen heeft gedaan zoals opgenomen onder (A) van het probandum. Derhalve is met de verklaringen van [commercieel directeur 4PET] niet bewezen wat 4PET moest bewijzen, en ook uit de verklaringen van de andere getuigen (onder wie mr. Nijhuis) volgt dat niet.
Hoewel ten dele gegrond kan de grief dan ook niet tot vernietiging van het bestreden vonnis leiden. De vordering van 4PET kan dus niet worden toegewezen op de door 4PET aanvankelijk (in eerste aanleg) aangevoerde grondslag, te weten dat de curator had toegezegd dat de Infrarooddroger in ieder geval tot de te verkopen goederen behoorde.
Volgens 4PET had de rechtbank tot het oordeel moeten komen dat 4PET was geslaagd in het aan haar opgedragen bewijs.
De grief richt zich niet tegen het probandum. Ook richt de grief zich niet tegen de overweging van de rechtbank in de rechtsoverwegingen 3.4. en 3.5 van het tussenvonnis, waarin de rechtbank overweegt dat pas sprake is van een tekortschieten van de curator als komt vast te staan dat expliciet naar de zich bij [voorraad-houder] bevindende voorraad is gevraagd, en daarop door de curator (waaronder de rechtbank kennelijk mede begrijpt mr. Nijhuis als assistent van de curator) de mededeling is gedaan dat die voorraad tot de boedel behoorde en geleverd kon worden; naar deze overwegingen heeft de rechtbank opnieuw verwezen in rechtsoverweging 2.4 van het eindvonnis.
Gelet op deze concretisering van de bewijsopdracht heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de verklaringen van [commercieel directeur 4PET] (als partijgetuige verklarend) geen steun vinden in de verklaringen van andere getuigen. De verklaringen van de andere getuigen houden immers niet in dat mr. Nijhuis heeft verklaard dat op de voorraad die bij [voorraad-houder] lag geboden moest worden. Dat de getuige [bestuurder BBY en Folietechniek 2.] heeft verklaard dat [getuige] heeft gezegd dat ook op de voorraad bij [voorraad-houder] geboden moest worden maakt dit niet anders. Het probandum heeft immers geen betrekking op verklaringen van [getuige]; het ging er in het probandum immers om of de curator (dan wel mr. Nijhuis) toezeggingen of mededelingen had gedaan. De opmerkingen die [getuige] volgens [bestuurder BBY en Folietechniek 2.] zou hebben gedaan kunnen niet tot een ander oordeel leiden, omdat niet blijkt dat die met instemming van mr. Nijhuis werden gemaakt.
Ook de verklaring van mr. Nijhuis zelf biedt geen steun aan de verklaring van [commercieel directeur 4PET].
Daar komt bij dat 4PET in de gelegenheid is gesteld de voorraad te bezichtigen, en dat 4PET in de memorie van grieven (onder 11.3) opmerkt dat [commercieel directeur 4PET] "het sterke vermoeden had dat in het bedrijfspand en de aan de andere kant van de straat gelegen loods bij lange na geen 1000 ton voorraad aanwezig zou zijn".
Ook het bewijsaanbod dat 4PET doet in 12.3 van de memorie van grieven (inzake de inhoud van het aan [bestuurder BBY en Folietechniek 2.] verstrekte informatiepakket) acht het hof niet ter zake dienend.
Nu partijen over en weer gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld zal het hof de kosten compenseren, zowel in eerst aanleg als in hoger beroep.