Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
1 september 2008 een kopie van de uitspraak op bezwaar aan de heer [B] verzonden.
De Inspecteur heeft vervolgens een nader stuk, gedateerd 20 maart 2013, ingediend, waarin hij (enkel) aankondigt ter zitting ook een getuige te willen horen, namelijk zijn collega de heer [D]. Beide stukken zijn in afschrift aan de wederpartij verzonden.
Aldaar zijn toen verschenen en gehoord mr. [C] voornoemd, als gemachtigde van belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, de heer mr.[E].
Tijdens de zitting heeft het Hof voornoemde getuigen gehoord. Van de getuigenverklaringen zijn proces-verbalen opgemaakt, welke proces-verbalen aan de stukken zijn toegevoegd en in afschrift aan partijen gezonden.
2.Feiten
Mr. [F] heeft - na een daartoe gedaan verzoek van de Inspecteur - op 21 augustus 2007 een kopie van het cassatieberoepschrift aan de Inspecteur gezonden.
3.Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen
De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.
4.Gronden
- De heer [B] heeft namens belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de aanslag en hij had - als belanghebbendes toenmalige gemachtigde - de uitspraak op bezwaar dienen te ontvangen. De heer [B] heeft de uitspraak op bezwaar echter nimmer ontvangen. De beroepstermijn is, gezien het voorgaande, niet op 1 september 2008 aangevangen, maar op het moment dat belanghebbende wist dat zijn toenmalige gemachtigde niet juist geïnformeerd was. Zo bezien is het beroep, volgens belanghebbende, op tijd ingesteld.
- Mr. [F] had eveneens een afschrift van de uitspraak op bezwaar moeten ontvangen.
- De Inspecteur had de uitspraak op bezwaar aangetekend dienen te verzenden.
- Belanghebbende heeft een groot belang bij een inhoudelijke behandeling van zijn zaak, nu aan hem een aanslag is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van
mr. [F], te sturen. Mr. [F] was niet de gemachtigde van belanghebbende voor zijn fiscale zaken. Haar brief van 13 oktober 2006 kan, volgens de Inspecteur, ook niet worden aangemerkt als een (prematuur) bezwaarschrift, nu uit de inhoud van de brief onmiskenbaar blijkt dat zij zich ervan bewust was dat de betreffende aanslag nog niet was opgelegd.
Nu de uitspraak op bezwaar op de wettelijk voorgeschreven wijze aan belanghebbende dan wel zijn toenmalige gemachtigde is bekendgemaakt en het beroep ruimschoots buiten de beroepstermijn van zes weken is ingesteld, kan, volgens de Inspecteur, geen andere conclusie worden getrokken dan dat het beroep terecht niet-ontvankelijk is verklaard door de Rechtbank. Al hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd leidt er redelijkerwijs niet toe dat kan worden geoordeeld dat belanghebbende niet in verzuim is geweest door het laat indienen van het beroep. Het belang dat belanghebbende heeft bij een materiële beoordeling van zijn zaak, zet de niet-ontvankelijkheid van het beroep evenmin opzij.
[E] was verbaasd en opgetogen na het gesprek met de heer [B], omdat deze in het telefoongesprek in afwijking van zijn eerdere ontkennende verklaring had verklaard dat hij zich wel wist te herinneren dat hij de uitspraak op bezwaar had ontvangen en aan belanghebbende had doorgegeven.
Uit deze brief blijkt immers dat mr. [F] wist dat de onderhavige aanslag nog niet tot stand was gekomen. Zij wilde met deze brief juist het opleggen van de aanslag voorkomen. Ook gelet daarop kan de brief niet als een door haar ingediend (prematuur) bezwaarschrift worden aangemerkt.
18 augustus 2010 te laat is ingediend. De Rechtbank heeft op goede gronden beslist dat het beroep niet-ontvankelijk is. Belanghebbende heeft geen omstandigheden aangevoerd die nopen tot afwijking van dit oordeel.
5.Beslissing
- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.