Belanghebbende werd voor het jaar 2006 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd met een belastbaar inkomen uit werk en woning van €63.988, inclusief een verzuimboete wegens het niet tijdig indienen van de aangifte. Na bezwaar en een ongegrond verklaard beroep bij de Rechtbank, stelde belanghebbende hoger beroep in bij het Hof.
Het geschil betrof onder meer de vraag of de bewijslast bij belanghebbende rustte, of hij recht had op hypotheekrenteaftrek, de omvang van neveninkomsten uit Duitsland en wedstrijdanalyses, en de rechtmatigheid van de opgelegde heffingsrente en boete. Belanghebbende leverde geen overtuigend bewijs dat de aanslag onjuist was, met name over de omvang van de hypotheekrenteaftrek en neveninkomsten.
Het Hof oordeelde dat de Inspecteur een redelijke schatting had gemaakt op basis van bekende loongegevens en dat de bewijslast om het tegendeel aannemelijk te maken bij belanghebbende lag. De schatting van de neveninkomsten en de hypotheekrenteaftrek kon niet worden weerlegd. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.