Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[Appellant sub 1.],
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 172253/KG ZA 12-250)
2.Het geding in hoger beroep
[appelanten c.s.] nog een op voorhand aan het hof en de wederpartij toegezonden productie in het geding is gebracht;
3.De gronden van het hoger beroep
4.De beoordeling
“De rechter heeft de situatie ter plaatse in ogenschouw genomen en daarbij is onder meer het volgende geconstateerd. De garage van [appelanten c.s.] is 2,54 meter breed, gemeten vanuit de aanliggende (rechter)zijgevel van het huis van [appelanten c.s.] De kadastrale grens ligt op ongeveer 2.36 meter, gemeten uit hetzelfde punt, en loopt door het midden van de rechter buitenmuur van de garage van [appelanten c.s.] Niet alleen overschrijdt de buitenmuur van de garage aldus de kadastrale grens ten nadele van [geïntimeerde], maar ook overschrijdt de muur de stootband met circa de breedte van een klinker.” (r.o. 4.3 voormeld vs) en
“De rechter heeft niet kunnen constateren of de fundering van de garage (deels) in de grond van [geïntimeerde] ligt, maar indien dat wel het geval is, geldt bovenstaande eveneens voor de fundering. De rechtbank stelt derhalve vast dat de rechter buitenmuur (en fundering) van de garage van [appelanten c.s.] in ieder geval deels op het erf van [geïntimeerde] is gebouwd 9en gestort)”(r.o. 4.3 voormeld vs) en
“Geconstateerd is voorts dat de ruimte tussen de beide garages van boven niet is afgedekt. Het verband tussen het ontbreken van deze afdekking en de vochtdoorslag(in de linker binnenmuur van de garage van [geïntimeerde], toev. hof
) is aannemelijk (...). De rechtbank zal de vordering onder 2. derhalve deels toewijzen, te weten enkel voor wat betreft het aanbrengen van een zodanige voorziening dat de garagemuur van [geïntimeerde] wederom afgedekt zal zijn tegen weersinvloeden (..)”(r.o. 4.10 voormeld vs).
“5.1. (...) het (doen) verwijderen van de rechterbuitenmuur van zijn garage en de fundering tot de kadastrale grens en tot herstel van de bestrating van de oprit van [geïntimeerde], een en ander tot aan de voorgevel van de garage van [geïntimeerde], (..., zulks binnen twee weken na betekening van dit vonnis aan te vangen (...), op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag of dagdeel dat [appelanten c.s.] verzuimt aan die veroordeling te voldoen, met een maximum van € 50.000,-;
“(..) de rechterbuitenmuur van de aanbouwisverwijderd; uit nameting ter plaatse zult u kunnen afleiden dat de muur die er thans nog staat twijfelloos op het eigendom van cliënten staat, zulks gemeten naar de veldmeting van het kadaster;(..) gemeten naar dezelfde veldtekening geldt dat de fundering inderdaad deels op eigendom van uw cliënte staat. Het gaat hier om een slechts zeer beperkte overbouwing enerzijds en het gaat voorts om een overbouwing die zich onder het maaiveld bevindt en ten aanzien waarvan uw cliënte geen enkel belang geoordeeld kan worden bij verwijdering (..)(..) Ten aanzien van de afdichting tussen de garages (..). U weet ook dat dezerzijds een concreet voorstel is gedaan tot oplossing van dit punt. deze oplossing heeft uw cliënte geweigerd en ze heeft nimmer een tegenvoorstel gedaan. (...)”.
‘dat de rechtervoorzijde van de nieuwe muur van de garage van [appelanten c.s.] (...) zich vrijwel op de kadastrale grens bevindt’en
‘De medewerkers van het kadaster hebben verder geconstateerd dat ter plaatse van de voorzijde van de garage van [geïntimeerde], de nieuwe muur (het voormalig binnenblad) van de garage van [appelanten c.s.] de kadastrale grens 2 cm (en halverwege de nieuwe muur 1 cm) overschrijdt (..). Volgens de gegevens van het kadaster bedraagt de afstand ter plaatse tussen de linkerzijgevel van het pand van [geïntimeerde] (ter hoogte van de voorzijde van haar garage) en de kadastrale grens ter plaatse 2,77 m. De afstand tussen die gevel en de nieuwe muur van de garage van [appelanten c.s.] bedraagt thans 2.75 m.’
’Het fundament onder de muur bestaat (gezien vanaf de bovenkant) uit twee lagen betonblokken. Een gedeelte ter breedte van ongeveer 17 cm van dit deel bevindt zich (...) aan de zijde van het perceel van [geïntimeerde]. Onder deze twee lagen van betonblokken bestaat de fundering uit een gestorte fundering, die volgens een meting van de voorzieningenrechter 10 cm smaller is dan het daarboven liggende gedeelte van de fundering.’
- de vraag
- in elk geval de fundering, die de kadastrale grens in niet geringe mate (17 cm) overschreed, niet was verwijderd en
- dit de aanspraak op het maximaal aan dwangsom verbeurde bedrag van € 50.000,= rechtvaardigde (r.o. 2.3.1 eindvonnis voorzieningenrechter) en
- dat van misbruik van bevoegdheid door [geïntimeerde] op dat punt geen sprake was.
- dat voor wat betreft de afdichting [appelanten c.s.] terecht stelden dat [geïntimeerde] het aan zichzelf te wijten had dat deze nog niet was gerealiseerd en dat voor dit verbod daarom (nog) geen dwangsommen waren verbeurd (r.o. 2.4 en 2.4.1 eindvonnis voorzieningenrechter).
‘duidelijk (is) dat de werkzaamheden niet kunnen plaatsvinden zonder op enig moment de garage te blokkeren’en waarin de advocaat van [geïntimeerde] voorstelt dat [appelanten c.s.]
‘om misverstanden en verbeurte van dwangsommen te voorkomen’tijdig tevoren aangeven wanneer zij die werkzaamheden willen verrichten. Door [appelanten c.s.] is ook niet gesteld dat zij in het tijdsbestek waarbinnen zij aan de veroordeling onder 5.1. hadden moeten voldoen aan [geïntimeerde] ooit kenbaar hebben gemaakt dat zij aan die veroordeling voor wat betreft de fundering geen gevolg konden geven vanwege de veroordeling onder 5.3. In de brief van 16 maart 2012 aan de advocaat van [geïntimeerde] (prod. 4 [appelanten c.s.] eerste aanleg) stelt de advocaat van [appelanten c.s.] daarover niets. In die brief wordt alleen betoogd dat [geïntimeerde] bij verwijdering van de (overbouw van) de fundering geen enkel belang zou hebben omdat deze zich beneden het maaiveld bevond.
‘dat de kadastrale grens loopt door het midden van de rechter buitenmuur van de garage van [appelanten c.s.]’en dat
‘de buitenmuur van de garage aldus (niet alleen) de kadastrale grens ten nadele van [geïntimeerde] (overschrijdt), maar ook (..) de stootband met circa de breedte van een klinker.’Waar de rechtbank ook in haar aan de veroordeling ten grondslag liggende overwegingen expliciet spreekt over de buitenmuur van de aanbouw en een overbouw van die buitenmuur, konden [appelanten c.s.] naar het oordeel van het hof de veroordeling van de rechtbank voor wat betreft de verwijdering van de muur terecht uitleggen in de door hen voorgestane zin dat met de verwijdering van het buitenblad aan de veroordeling was voldaan. Het hof neemt hierbij verder in aanmerking dat het binnenblad van de muur, naar onder meer te zien is op de door [geïntimeerde] overgelegde foto’s 8 en 9 bij productie 6 bij de memorie van antwoord tevens grieven in incidenteel appel, bleef binnen de rechterzijmuur van de oorspronkelijke garage, welke muur een zelfstandige muur van die garage was (gelegen op ca 1 cm van de parallel daarnaast gelegen zelfstandige linkerzijmuur van de garage van [geïntimeerde]), zodat er ten aanzien van dit binnenblad geen reden was om te veronderstellen dat dit de perceelgrens overschreed. Weliswaar is van ‘de nieuwe muur (het voormalig binnenblad)’ bij de descente van de voorzieningenrechter gebleken dat deze de kadastrale grens in geringe mate (van 0 tot 2 cm) overschreed doch het hof acht die constatering voor de uitleg van de veroordeling in het vonnis van 17 augustus 2011 niet relevant. De geringe mate van overschrijding geeft naar het oordeel van het hof juist steun aan de hiervoor gegeven uitleg dat de veroordeling in het vonnis van 17 augustus 2011 specifiek betrekking heeft op het buitenblad van de aanbouw van de garage van [appelanten c.s.] waarvan de rechtbank vaststelde dat deze niet alleen de kadastrale grens overschreed maar ook de door de stootband gevormde visuele afscheiding. Opmerking verdient in dit verband dat [geïntimeerde] in de memorie van antwoord onder 19, 3e alinea, zelf stelt:
‘[appelanten c.s.] bouwde vervolgens in afwijking van de vergunning geen massieve muur maar een spouwmuur (...) en plaatste het niet vergunde buitenblad daarvan op/in de eigendom van [geïntimeerde]’.
“(.....) Het heeft -zoals ik ook al eerder heb aangegeven- dan ook geen enkele zin cliënte thans te vragen naar haar visie op de afdichting tussen de garages. (....) Indien het bouwplan daaraan aangepast is valt te bezien of het voor de afdichting ter voorkoming van verdere schade, alsnog noodzakelijk is dat cliënte toestaat dat van haar eigendom daarbij gebruik wordt gemaakt (ik denk aan loodindekkingen of daktrimmen) (...)”.