In deze zaak staat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van twee kinderen centraal. De kinderen zijn sinds januari 2012 uit huis geplaatst en onder toezicht van de stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant. De moeder is in hoger beroep gekomen tegen de verlenging van deze machtiging, stellende dat zij aan de voorwaarden heeft voldaan, waaronder het beëindigen van de relatie met de vader en het actief samenwerken met de hulpverlening.
De stichting betwist dat de moeder daadwerkelijk afstand heeft genomen van de vader en wijst op het ontbreken van garanties omtrent de veiligheid van de kinderen bij terugplaatsing. Tevens bestaat er onduidelijkheid over de verslavingsproblematiek van de vader en de mogelijke invloed hiervan op de thuissituatie.
Het hof overweegt dat hoewel er positieve ontwikkelingen zijn bij de moeder, deze nog pril zijn en onvoldoende zekerheid bieden dat de veiligheid van de kinderen kan worden gewaarborgd. Het contact tussen moeder en vader is niet definitief verbroken, wat risico’s met zich meebrengt. De kinderen zijn gehecht aan het pleeggezin, maar het hof sluit niet uit dat zij zich opnieuw kunnen hechten bij terugplaatsing.
Daarom wordt de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing bekrachtigd. Het hof benadrukt dat bij een toekomstig verlengingsverzoek de stichting concreet moet aantonen waarom terugplaatsing niet mogelijk is. De beslissing is genomen met het oog op het belang en de veiligheid van de kinderen.