ECLI:NL:GHSHE:2013:4215

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
10 september 2013
Publicatiedatum
12 september 2013
Zaaknummer
20-001183-12
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18.18 Wet milieubeheerArt. 1a Wet op de economische delictenArt. 2 Wet op de economische delictenArt. 6 Wet op de economische delictenArt. 23 Wetboek van Strafrecht
Verwijzingen
13 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling rechtspersoon voor opslag brandbaar materiaal onder hoogspanningslijnen in strijd met milieuregels

In deze strafzaak stond de vraag centraal of de opslag van bouw- en sloopafval binnen een strook van 40 meter onder hoogspanningslijnen in strijd was met het vergunningvoorschrift G.2.f van de Wet milieubeheer. De verdachte, een rechtspersoon, was door de rechtbank Maastricht veroordeeld tot een geldboete van €2.000 wegens overtreding van dit voorschrift. Het hof vernietigde het vonnis en legde eigen overwegingen ten grondslag aan de beoordeling.

Het hof oordeelde dat het begrip ‘brand- of explosiegevaarlijke stoffen’ in het voorschrift moet worden uitgelegd tegen de achtergrond van de totstandkomingsgeschiedenis van de vergunning. Uit de aanvraag, bedenkingen van Essent en de vergunningbesluiten bleek dat onder dit containerbegrip ook de in de aanhef genoemde brandbare materialen zoals afvalhout, houten pallets, papier, karton, kunststof, kleding en textiel vallen. De opslag van een mengvorm van deze materialen binnen de verboden strook was daarmee in strijd met het voorschrift.

De verdediging voerde aan dat bouw- en sloopafval niet per definitie brandbaar is en dat het voorschrift niet zonder strijd met het legaliteitsbeginsel mocht worden uitgelegd zoals het hof deed. Dit verweer werd door het hof verworpen omdat de uitleg van het voorschrift duidelijk was en het bewezenverklaarde daarmee strafbaar was.

Het hof verklaarde het ten laste gelegde bewezen, sprak verdachte vrij van overige tenlasteleggingen, en veroordeelde de rechtspersoon tot een geldboete van €2.000. De straf werd passend geacht gelet op de aard van het feit, de omstandigheden en de financiële draagkracht van de verdachte.

Uitkomst: Verdachte rechtspersoon veroordeeld tot een geldboete van €2.000 wegens opslag van brandbaar materiaal binnen verboden strook onder hoogspanningslijnen.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer : 20-001183-12
Uitspraak : 10 september 2013
TEGENSPRAAK

Arrest van de economische kamer van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Maastricht van 14 maart 2012 in de strafzaak met parketnummer
03-994009-11 tegen:

[verdachte],

statutair gevestigd te [adres].
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 18.18 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon’ veroordeeld tot een geldboete van EUR 2.000,--.
De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een geldboete van EUR 2.000,--.
De verdediging heeft primair bepleit dat verdachte van het ten laste gelegde zal worden vrijgesproken. Ingeval het hof komt tot een bewezenverklaring heeft de verdediging subsidiair bepleit dat verdachte zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Vonnis waarvan beroep
Het hof kan zich op onderdelen niet met het vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.
Het hof zal zowel ten aanzien van de bewijsoverwegingen als ten aanzien van de strafbaarheid van het bewezenverklaarde eigen overwegingen ten grondslag leggen aan zijn beslissing. Voorts behoeft het in het vonnis genoemde overzicht van de toepasselijke wettelijke bepalingen aanvulling.
Tenlastelegging
Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:
zij op of omstreeks 7 september 2010 in de gemeente Maastricht, terwijl aan
[bedrijf] door Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg een vergunning krachtens de Wet milieubeheer was verleend, zich, al dan niet opzettelijk, heeft gedragen in strijd met een of meer voorschriften verbonden aan die vergunning, immers bevond zich in strijd met voorschrift G.2. onder f. brandbaar materiaal, zijnde bouw- en sloopafval, (ruim) binnen een strook van 40 meter breed onder de hoogspanningslijn.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkwamen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
zij op 7 september 2010 in de gemeente Maastricht, terwijl aan [bedrijf] door Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg een vergunning krachtens de
Wet milieubeheer was verleend, zich opzettelijk heeft gedragen in strijd met een voorschrift verbonden aan die vergunning, immers bevond zich in strijd met voorschrift G.2. onder f. brandbaar materiaal binnen een strook van 40 meter breed onder de hoogspanningslijn.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.
Door het hof gebruikte bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het arrest gehecht.
Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs
De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de
feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.
De verdediging heeft bepleit dat verdachte van het ten laste gelegde zal worden vrijgesproken. Daartoe is (kort gezegd) aangevoerd dat het proces-verbaal van bevindingen (pag. V-1), in samenhang met de bijbehorende foto F3, onvoldoende bewijs levert voor het begaan van het ten laste gelegde feit, omdat daaruit niet blijkt dat sprake is van brandbaar materiaal. De enkele vaststelling dat bouw- en sloopafval was opgeslagen is daartoe onvoldoende, omdat dergelijk afval niet per definitie ook brandbaar materiaal is. In dat kader is door de verdediging als definitie van brandbare stoffen gehanteerd “stoffen die met lucht (zuurstof) kunnen reageren onder vlamverschijnselen, ook nadat een eventuele ontstekingsbron is weggenomen”. Bovendien noemt het betreffende vergunningvoorschrift zelf bouw- en sloopafval niet als aparte categorie brandbaar materiaal, aldus de verdediging.
Tevens heeft de verdediging gewezen op de uitspraak van de Raad van State, afdeling Bestuursrechtspraak, van 24 juli 2013 (201206839/1/A4), waarin het hoger beroep werd behandeld van verdachte tegen aan haar opgelegde lasten onder dwangsom wegens overtreding van (onder meer) voorschrift G.2.f, waarin de Raad van State in de visie van de verdediging erg voorzichtig is in zijn oordeel. In dat verband is gewezen op de volgende overweging uit die uitspraak: ‘
De redactie van voorschrift G2 sluit niet uit dat onder brandgevaarlijke stoffen in onderdeel f van voorschrift G2 mede worden verstaan de brandbare materialen, bedoeld in de aanhef van dit voorschrift’.Het hof heeft volgens de verdediging echter een eigen verantwoordelijkheid bij de uitleg van vergunningvoorschrift G.2.f. en verzoekt het hof die uitlegt dan ook te geven.
Het hof overweegt het volgende.
Het besluit van 25 januari 2005 van Gedeputeerde Staten van Limburg houdt in dat zij bij dat besluit hebben beslist op de op 23 juli 2004 namens [bedrijf] ingediende aanvraag van een revisievergunning voor de inrichting gelegen aan de [adres] (dossierpagina’s 4 tot en met 44). Bij dit besluit is de vergunning verleend aan [bedrijf] In de bij de vergunning gevoegde voorschriften is onder onderdeel G (dossierpagina’s 34 en 35) een aantal veiligheidsvoorschriften opgenomen.
Onder G.2. zijn voorschriften opgenomen met betrekking tot:
‘Opslagcompartimenten van hout of anderebrandbare materialen(onderstreping hof)
als afvalhout, houten pallets, papier, karton, kunststof, papierrejects, kleding en textiel.’
G.2. onder f luidt – voor zover hier relevant – als volgt:
‘Onder de hoogspanningslijn dient een strook van ten minste 40 meter breed vrij te blijven van de opslag vanbrand- of explosiegevaarlijke stoffen(onderstreping hof)
(…).
Het hof stelt voorop dat voorschriften die worden verbonden aan een vergunning, zo ook het hiervoor genoemde voorschrift, in beginsel dienen te worden uitgelegd tegen de achtergrond van de aanvraag van deze vergunning.
In dat verband heeft het hof met betrekking tot verdachte acht geslagen op het volgende.
Tegen de namens verdachte op 23 juli 2004 ingediende aanvraag van een revisievergunning heeft Essent Netwerk Limburg B.V. (hierna: Essent) bedenkingen ingebracht (dossierpagina 19). Essent zou vanwege de aanwezigheid van een hoogspanningslijn in verband met de mogelijke gevaren voor personen en de bedrijfszekerheid van de elektriciteitsvoorziening in de vergunning willen zien opgenomen, dat:
“in de 40 meter brede strook (…) geen brand- of explosiegevaarlijke stoffen mogen worden opgeslagen. Het betreft dan in ieder geval de opslag van afvalhout, houten pallets, papier, karton, kunststof, kleding en textiel.”
Naar het oordeel van Gedeputeerde Staten was deze bedenking van Essent terecht. Gedeputeerde Staten heeft daartoe het volgende overwogen:
“Vanwege de aanwezigheid van de hoogspanningslijn dient vanwege de gevaren voor personen en de bedrijfszekerheid van de elektriciteitsvoorziening een 40 meter brede strook vrij te blijven van de opslag van brand- of explosiegevaarlijke stoffen.Het betreft dan in ieder geval de opslag van afvalhout, houten pallets, papier, karton, kunststof, kleding en textiel(onderstreping hof)
. Een dergelijk voorschrift zal aan de vergunning worden toegevoegd.”
(dossierpagina 20).
Het hof is van oordeel dat uit bovengenoemde bedenking en de overweging daaromtrent van Gedeputeerde Staten duidelijk blijkt wat de oorsprong is van het voorschrift G.2.f en eveneens wat de strekking is van dat voorschrift. Deze strekking sluit blijkens de specificatie opgenomen in de hierboven weergegeven passages niet aan bij de door de verdediging gehanteerde definitie van het begrip brandbare stoffen.
Bij Besluit van 14 november 2006 heeft Gedeputeerde Staten van Limburg beslist op een volgende namens [bedrijf] ingediende aanvraag voor een veranderingsvergunning (dossierpagina’s 45 tot en met 65). Met betrekking tot deze aanvraag is namens[bedrijf 2] (een in de nabijheid van verdachte gelegen bedrijf) de zienswijze ingebracht, dat voorschrift G.2.f niet realiseerbaar is vanwege de afstand tot de hoogspanningslijnen en de te vergunnen opslagcapaciteiten, zodat de aanvraag zou moeten worden afgewezen (dossierpagina 58, onder 11).
Gedeputeerde Staten heeft daaromtrent als volgt overwogen (dossierpagina 61, onder Ad. 11):
“ (…) is het wel degelijk mogelijk uitvoering te geven aan voorschrift G.2.f. Binnen een strook van 40 meter mag namelijk geenbrandbaar materiaal(onderstreping hof)
opgeslagen worden. Daarbuiten mag (…) opslag vanbrandbaar materiaal(onderstreping hof)
plaatsvinden.”
Het besluit van 14 november 2006 houdt onder meer in dat het voorschrift G.2., zoals dat was opgenomen in de meergenoemde vergunning van 25 januari 2005, werd vervangen door een nieuw voorschrift G.2.
Dat voorschrift luidt in het besluit van 14 november 2006 als volgt:
G.2. ‘Opslagcompartimenten van hout of anderebrandbare materialen(onderstreping hof)
als afvalhout, houten pallets, papier, karton, kunststof, papierrejects, kleding en textiel.’
(…)
f. ‘Onder de hoogspanningslijn dient een strook van ten minste 40 meter breed vrij te blijven van de opslag vanbrand- of explosiegevaarlijke stoffen(onderstreping hof)
(…).
Het hof heeft met de raadsman vastgesteld dat de tekst van voorschrift G.2. aanhef en onder f. in beide vergunningen gelijkluidend is.
Gelet hierop en in aanmerking genomen de bovenbeschreven totstandkomingsgeschiedenis van voorschrift G.2.f, waaruit naar het oordeel van het hof de strekking duidelijk blijkt van dat voorschrift, is het hof dan ook van oordeel dat het te dezen toepasselijke voorschrift G.2.f. van de veranderingsvergunning uit 2006, niet anders kan worden uitgelegd, dan dat onder het containerbegrip ‘brand- of explosiegevaarlijke stoffen’ de brandbare materialen vallen zoals die worden genoemd in de aanhef van G.2. Het hof is tevens van oordeel dat het niet anders kan dan dat ook voor verdachte voldoende duidelijk was wat wel en niet opgeslagen mocht worden binnen een strook van 40 meter onder de hoogspanningslijn.
Dat het ‘Accord européen relatif au transport international des marchandises Dangereuses par Route’ (kortweg ADR; het Europees verdrag betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over de weg) andere definities gebruikt, waarop de verdediging heeft gewezen, doet aan het voorgaande niet af. Het hof is voorts niet gebleken van feiten of omstandigheden die moeten leiden tot een ander oordeel.
Nu verdachte een mengvorm van materialen waaronder een of meer van de in aanhef van G.2. genoemde materialen op een hoop had opgeslagen binnen een strook van 40 meter onder de hoogspanningslijn, is het hof van oordeel dat daarmee sprake was van brandbaar materiaal – dat zoals zojuist overwogen valt onder de werking van voorschrift G.2.f. – dat op die plaats in strijd met voorschrift G.2.f was opgeslagen.
Voorts overweegt het hof dat uit de verklaring van de vertegenwoordiger van de verdachte, zoals weergegeven in het proces-verbaal van politie, blijkt dat de verdachte bekend was met de destijds vigerende vergunning van 14 november 2006 en de vergunning van 25 januari 2005. Het hof acht het ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Het hof verwerpt het verweer.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
De verdediging heeft bepleit dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu het ten laste gelegde feit geen overtreding van vergunningvoorschrift G.2.f. oplevert. Immers, ten laste gelegd is de opslag van brandbare materialen, terwijl het vergunningvoorschrift spreekt over brand- of explosiegevaarlijke stoffen, hetgeen iets wezenlijks anders is. Het onderscheid tussen deze beide stoffen kan dan ook niet zonder strijd met het legaliteitsbeginsel te komen worden weggepoetst. Voorts heeft de raadsman betoogd dat er sprake zou zijn van schending van het legaliteitsbeginsel zoals neergelegd in – onder meer – art. 1 van Pro het wetboek van strafrecht.
Het hof overweegt als volgt.
Zoals het hof onder het opschrift ‘bijzondere overwegingen omtrent het bewijs’ heeft overwogen moet het voorschrift G.2.f. zo worden uitgelegd dat ‘brandbare materialen’ onderdeel uitmaken van het containerbegrip ‘brand- of explosiegevaarlijke stoffen’. Het proces-verbaal inhoudende dat er ‘brandbaar materiaal’ is aangetroffen kan daarom worden gebruikt – en wordt daartoe ook gebruikt – voor het bewijs dat er ‘brand- of explosiegevaarlijke stoffen’ ter plaatse werden aangetroffen.
Dat het bewezenverklaarde geen strafbaar feit kan opleveren treft daarom geen doel.
Gelet op de tekst van bepaling G.2 aanhef en onder f en de hiervoor weergegeven totstandkomingsgeschiedenis van het voorschrift G.2.f acht het hof, anders dan de raadsman, geen strijd met het legaliteitsbeginsel (het lex certa beginsel) aanwezig.
Het hof verwerpt daarom het verweer.
Het bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien bij artikel 18.18 van de Wet milieubeheer juncto artikel 1a, aanhef en onder 1°, en artikel 2, eerste lid, van de Wet op de economische delicten en strafbaar gesteld bij artikel 6, eerste lid, aanhef en onder 1°, van die wet, juncto artikel 51, tweede lid, aanhef en onder 1°, van het Wetboek van Strafrecht.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.
De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.
Op te leggen straf of maatregel
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de aard en hoedanigheid van de verdachte rechtspersoon, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Gelet op het vorenstaande acht het hof, met de advocaat-generaal, oplegging van een geldboete van na te melden hoogte passend en geboden. Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte rechtspersoon, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 23, 24 en 51 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 18.18 van de Wet milieubeheer, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt haar daarvan vrij.
Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.
Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:
Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 18.18 van de
Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon.
Verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van EUR 2.000,00 (tweeduizend euro).
Aldus gewezen door
mr. E.S.G.N.A.I. van de Griend, voorzitter,
mr. S.C. van Duijn en mr. H. Harmsen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J. Biljard, griffier,
en op 10 september 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.