Uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- de vrouw, bijgestaan door mr. Van Osch;
- de man, bijgestaan door mr. De Jongh.
- de door de vrouw overgelegde stukken van eerste aanleg, te weten: de in de bestreden beschikking opgesomde stukken behoudens de tussenbeschikking d.d. 17 maart 2009 met de daarin genoemde stukken, de brief van de advocaat van de vrouw d.d. 2 april 2009, de brieven van de advocaat van de man d.d. 7 april 2009, 9 april 2009, 29 november 2010 en 7 december 2010 en het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 10 mei 2012, allen ingekomen ter griffie op 22 oktober 2012;
- de faxbrief met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 3 mei 2013;
- de brief van de advocaat van de vrouw d.d. 13 mei 2013 met daarbij gevoegd het inleidende verzoekschrift alsmede het verweerschrift echtscheiding en nevenvoorzieningen tevens houdende zelfstandige verzoeken;
- het ter zitting door de man overgelegde proces-verbaal van de zitting van 30 januari 2009 inzake het kort geding met zaaknummer 198188 / KG ZA 08-691.
3.De beoordeling
“Uit de bijlagen II en III van het deskundigenrapport blijkt voldoende van een inbreng van de man voorafgaand aan het huwelijk in toen de vennootschap onder firma van fl. 329.701,= en van een inbreng van de vrouw van nihil. In het licht van de door de man overgelegde bewijsstukken van stortingen van fl. 35.000,= en fl. 157.000,= van toen de privérekening van de man met nummer 49.74.29.242 naar de vennootschap onder firma en de storting door de moeder van de man van een bedrag van fl. 100.000,= (bestaande uit een schenking en een erfdeel van de man) is voor de rechtbank voldoende aannemelijk dat ook het resterende deel van voormeldefl. 329.701,= ziet op privévermogen van de man.”