De hiervoor door het hof aangenomen (toerekenbare) tekortkoming van [geïntimeerde] in de nakoming van zijn stipte betaalplicht op grond van de inhoud van de vaststellingsovereenkomst onder punt 1 brengt volgens punt 3 de onmiddellijke ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde met zich mee. [appellanten] heeft zich daarop bij brief van 28 februari 2013 in beginsel dan ook mogen beroepen. Het hof merkt hierbij op dat [geïntimeerde] niet heeft gesteld, althans niet uitdrukkelijk en gemotiveerd, dat de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, de ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.
Nu is vastgesteld dat [appellanten] in beginsel gerechtigd was tot ontbinding en ontruiming dient naar aanleiding van de tweede grief te worden beoordeeld of hij misbruik heeft gemaakt van zijn recht tot executie.
Onder analoge toepassing van het criterium als door de Hoge Raad gegeven in zijn arrest van 22 april 1983, NJ 1984, 145 kan het hof slechts de tenuitvoerlegging (hier: de ontruiming waartoe [appellanten] in beginsel op grond van de vaststellingsovereenkomst gerechtigd is) verbieden, indien het hof van oordeel is dat de [appellanten], mede gelet op de belangen aan de zijde van [geïntimeerde] die door de ontruiming zullen worden geschaad, geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid. Dat zal, naast het zich hier niet voordoende geval van een kennelijke misslag (ten aanzien van de vaststellingsovereenkomst), het geval kunnen zijn indien de ontruiming op grond van na de datum van de vaststellingsovereenkomst voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van [geïntimeerde] een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.
[geïntimeerde] verwijt [appellanten] misbruik van (executie)recht doordat gelet op de na 19 februari 2013 voorgevallen of gebleken fout van de bank enkele dagen te laat werd betaald en [appellanten] met executie dreigde. Dat sprake was van een noodtoestand heeft [geïntimeerde] nader onderbouwd met de stelling dat indien en voor zover door de voorzieningenrechter geen (ontruimings)verbod was uitgesproken [appellanten] direct op 12 maart 2013 de deurwaarder tot ontruiming over zou hebben laten gaan. [appellanten] stelt volgens [geïntimeerde] immers zelf dat de deurwaarder al opdracht had gegeven aan de slotenmaker en bijstand aan de politie had gevraagd.
Naar het oordeel van het hof stelt [geïntimeerde] hiermee ten onrechte dat de ontruiming als zodanig, indien deze zou hebben plaatsgevonden, reeds een noodtoestand oplevert. Voor zover [geïntimeerde] verder heeft aangegeven dat de tenuitvoerlegging van de vaststellingsovereenkomst (middels ontruiming) hem direct zou schaden en direct bij hem een noodtoestand zou doen ontstaan met alle gevolgen van dien ten aanzien van werknemers, roerende zaken, bedrijfsvoering, klanten, inkomen en omzet etc., heeft [geïntimeerde] die gevolgen naar het oordeel van het hof onvoldoende geconcretiseerd en onderbouwd. Uit het door [geïntimeerde] aangevoerde volgt dan ook nog niet dat de executie klaarblijkelijk aan de zijde van [geïntimeerde] een zodanige noodtoestand zou hebben doen ontstaan dat een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard. Mede gelet op de belangen aan de zijde van [geïntimeerde] die door de ontruiming zullen worden geschaad heeft [appellanten] naar het oordeel van het hof voldoende in redelijkheid te respecteren belang bij gebruikmaking van zijn executiebevoegdheid.
Waar [geïntimeerde] voorts [appellanten] verwijt de executiebevoegdheid te willen uitoefenen met geen ander doel dan hem te schaden, onderbouwt hij dat verder niet of onvoldoende met relevante feiten.
Van misbruik van executiebevoegdheid is geen sprake.