Uitspraak
9.Het verdere verloop van het geding
- de memorie na enquête van [appellant];
- de antwoordmemorie na enquête van [geïntimeerde] met producties (nrs. 7-8).
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze civiele zaak betreffende erfrecht stond de vraag centraal of de geïntimeerde afstand had gedaan van zijn vordering op zijn erfdeel uit de nalatenschap van zijn vader. Het hof heeft in eerdere tussenarresten geoordeeld dat de vordering in beginsel opeisbaar is, tenzij afstand werd gedaan om baat of om niet.
Het hof onderzocht uitvoerig de bewijsvoering omtrent afstand van het erfdeel. De appellant voerde aan dat geïntimeerde afstand had gedaan in samenhang met een overnameovereenkomst, maar het hof concludeerde dat dit niet aannemelijk was gemaakt. Getuigenverklaringen die afstand bevestigden, werden door het hof niet geloofwaardig geacht vanwege tegenstrijdige correspondentie die door de appellant niet was weersproken.
De verklaring van een accountant en een zwager van de erflater ondersteunden niet dat afstand daadwerkelijk was gedaan. Het hof oordeelde dat appellant het bewijs niet had geleverd en verwierp de grieven. Het vonnis van de rechtbank werd bekrachtigd en appellant werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en oordeelt dat geen afstand is gedaan van het erfdeel.