In deze civiele zaak stond de vordering van Hoist Kredit AB tegen de geïntimeerde centraal, waarbij het hof het vonnis van de rechtbank Maastricht vernietigde. Hoist had in hoger beroep haar kredietvergoeding aangepast na een tussenarrest waarin kosten voor een beschermingsplan en overige kosten waren afgewezen.
Hoist matigde haar vordering aanzienlijk, waarbij de kredietvergoeding werd verlaagd van €1.015,05 naar €515,05 en de totale hoofdsom werd aangepast naar €1.375,50. Ook de vertragingsvergoeding werd gehalveerd. Het hof oordeelde dat Hoist hiermee voldeed aan de voorwaarden van het tussenarrest en dat de vordering alsnog toegewezen kon worden.
Het hof veroordeelde de geïntimeerde tot betaling van €1.535,59 vermeerderd met een contractuele vertragingsvergoeding, en in de kosten van de eerste aanleg. De kosten van het hoger beroep werden aan Hoist opgelegd omdat zij deze nodeloos had veroorzaakt door eerst in hoger beroep relevante stukken aan te leveren. Het arrest werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.