Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 218293/HA ZA 10-2144)
2.Het geding in hoger beroep
3.De gronden van het hoger beroep
4.De beoordeling
3.
bewuste en nauwe samenwerking;
“(…) Ik ben maar een kleine jongen in dit geheel je moet mij niet hebben maar de grote jongens die hier echt achter zitten (…) Ik ben maar een heel klein mannetje in deze organisatie je moet mij niet hebben”.
Ik weet dat [appellant] en [getuige 2] de grote jongens zijn. Zij zetten deze kwekerijen op en op het moment dat het fout gaat, laten ze er anderen voor opdraaien. Ik heb [appellant] en [getuige 2] regelmatig samen gezien. Ik heb hen ook horen praten over de opzet van kwekerijen en over de aankoop van panden. Ik weet niet over welke panden het dan gaat. (alinea 4; toevoeging hof)
[appellant] stelde mij voor…dat ik een hennepkwekerij voor hem kon gaan onderhouden op de [straatnaam 2][huisnummer B]. [appellant] zei dat daar op dat moment nog een aantal Polen in zaten, maar dat hij er die wel uit zou gaan werken.