Verdachte werd op 27 februari 2012 op een parkeerplaats in Best aangetroffen met een pistool en munitie in zijn jas. Hij werd veroordeeld voor het handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie. De politie handelde volgens het hof rechtmatig bij de aanhouding en het onderzoek, ondanks het verweer dat er geen redelijk vermoeden van schuld was voorafgaand aan de vraag of verdachte een wapen bij zich had.
De verdediging stelde dat het bewijs onrechtmatig was verkregen omdat de politie geen cautie gaf en de vraag naar het wapen niet als een vordering tot uitlevering kon worden gezien. Het hof oordeelde dat de vraag wel als een begin van een vordering tot uitlevering kon worden beschouwd en dat een cautie vooraf niet vereist was. De 112-melding was volgens het hof voldoende concreet om een redelijk vermoeden van schuld te rechtvaardigen.
Gezien de ernst van het feit, waarbij verdachte een geladen vuurwapen en een kogelwerend vest in het openbaar bij zich droeg, en zijn eerdere veroordelingen, achtte het hof een gevangenisstraf van vijf maanden passend. Tevens werd het inbeslaggenomen vuurwapen en de munitie onttrokken aan het verkeer.
Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en deed opnieuw recht met deze strafoplegging. Een herstelarrest corrigeerde een kennelijke verschrijving in de strafduur van zes naar vijf maanden gevangenisstraf.