Appellant was toegelaten tot de schuldsaneringsregeling op 14 oktober 2010. De bewindvoerder verzocht tussentijdse beëindiging van de regeling wegens niet-nakoming van verplichtingen en het ontstaan van nieuwe schulden. Het hof had eerder op 27 maart 2012 de regeling voortgezet en verlengd met twee jaar onder voorwaarden dat appellant zijn verplichtingen zou nakomen en zijn verdiencapaciteit zou vergroten.
Later bleek dat appellant geen inspanningen had geleverd om zijn verdiencapaciteit te vergroten en geen aanvullende baan had aangenomen, ondanks eerdere verklaringen. Nieuwe schulden ontstonden, waaronder huurachterstand en achterstanden in ziektekostenpremie en energiekosten. Appellant betwistte enkele verwijten, maar kon deze niet overtuigend onderbouwen.
Het hof oordeelde dat appellant verwijtbaar meerdere kernverplichtingen uit de schuldsaneringsregeling niet is nagekomen, waardoor de tussentijdse beëindiging van de regeling door de rechtbank terecht was. Het hof bekrachtigde daarom het vonnis van de rechtbank en beëindigde de schuldsaneringsregeling.