Appellant is op 4 april 2012 toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. De bewindvoerder heeft op 12 april 2013 bij de rechtbank verzocht de regeling tussentijds te beëindigen wegens niet-nakoming van verplichtingen en het ontstaan van bovenmatige schulden. De rechtbank heeft dit verzoek toegewezen, waarna appellant in hoger beroep is gegaan.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij alsnog aan zijn informatieplicht heeft voldaan, onduidelijkheid bestaat over de boedelachterstand en dat hij bereid is de regeling te verlengen om de achterstand in te lopen. Tevens betwist hij de boete opgelegd door het CJIB en stelt dat een deel van de schuld betrekking heeft op een periode vóór de schuldsaneringsregeling.
Het hof oordeelt dat appellant ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door de bewindvoerder niet tijdig te informeren over een procedure waarin hij hoofdelijk is veroordeeld tot proceskosten, en door vanaf het begin van de regeling vrijwel niets af te dragen aan de boedel. Ook ontbreekt een concreet plan om de boedelachterstand binnen de looptijd in te lopen. Gezien deze tekortkomingen acht het hof verlenging van de regeling niet opportuun en bekrachtigt het de tussentijdse beëindiging.