De zaak betreft een hoger beroep van Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant tegen de moeder van een minderjarig kind, [dochter], die sinds juni 2011 onder toezicht staat en sinds augustus 2011 uit huis is geplaatst in een pleeggezin 24-uurs.
De rechtbank had de ondertoezichtstelling verlengd tot juni 2014 en de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot september 2013. De stichting betwistte dit en vorderde verlenging van de uithuisplaatsing, stellende dat de moeder onvoldoende pedagogische vaardigheden heeft en dat vermoedens van seksueel misbruik niet voldoende zijn onderzocht.
De moeder stelde dat zij een veilige thuissituatie kan bieden, openstaat voor hulpverlening en dat de vermoedens van seksueel misbruik niet bewezen zijn. Het hof nam kennis van diverse processtukken, getuigenverklaringen en het psychologisch onderzoek.
Het hof oordeelde dat de problematiek van het kind en de opvoedcapaciteiten van de moeder met inzet van ambulante hulpverlening adequaat zijn, zodat voortzetting van de uithuisplaatsing niet noodzakelijk is. Vermoedens van seksueel misbruik zijn niet onomstotelijk vastgesteld en kunnen de uithuisplaatsing niet rechtvaardigen. Ook is geen destabiliserende strijd tussen de ouders gebleken.
Daarom werd het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring afgewezen en de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.