Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[Onroerend Goed] O.G. Onroerend Goed B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats],
[B.V.] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
[Beheer] Beheer B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats],
[appellant 4.],
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 240548/HA ZA 11-1730)
2.Het geding in hoger beroep
3.De gronden van het hoger beroep
4.De beoordeling
niet geschikt achtte. U gaf hierbij aan dat de kavel aan de Dommel, letter [perceel 2.], met een oppervlakte van circa 2.400 m2 voor uw bedrijfsvoering wel geschikt zou zijn. Voor deze laatste kavel had zich reeds een kandidaat gemeld(hof: transportbedrijf [Transportbedrijf])
. Wij hebben het verzoek van deze kandidaat in behandeling. Vooralsnog staat wij positief tegenover dit verzoek (…)”.
“De opmerking van de heer [appellanten] dat wij een voor hempassendperceel aan een ander bedrijf in optie hebben gegeven is niet juist. Over het perceelwaar [appellanten] naar verwijst, zijn wij in gesprek met “transportonderneming [Transportbedrijf]”. Hetverzoek van de heer [Transportbedrijf] om in aanmerking te komen voor een perceel op onsindustrieterrein dateert echter van oktober 1996. Derhalve van voor het verzoek van de
heer [appellanten] dat gedateerd is op 24 september 1997 (zie bijlage).
Blijkens een fax van transportbedrijf [directeur Transportbedrijf] ([Transportbedrijf], hof) d.d. 16 februari 1998 heeft de heer [directeur Transportbedrijf]. op diezelfde middag een telefonisch onderhoud gehad met de bedrijfscoördinator. In de betreffende fax zijn enkele punten genoemd die volgens de heer [directeur Transportbedrijf]. kunnen helpen om een mogelijke koop van [kavel 2.] te bespoedigen.(….) Uit het dossier blijkt niet dat de interesse van de heer [directeur Transportbedrijf] voor deze kavel dateert van oktober 1996, zoals door de gemeente in een brief aan de provincie – en nadien in een gerechtelijke procedure – is gesteld. De betreffende fax is, in de tijd geplaatst, het eerste document waaruit de interesse van de heer [directeur Transportbedrijf] voor [kavel 2.] blijkt. Wij hebben in het dossier ook geen aanvraagformulier aangetroffen, zoals door de heer X (lees [appellanten], hof) is ingevuld”.
“Wij hebben de toenmalige bedrijfscoördinator RO (1997-2003) in een tweede gesprek gevraagd naar de interesse van transportbedrijf [directeur Transportbedrijf] voor [kavel 2.]. Hij heeft verklaard: U vraagt mij of ik een toelichting kan geven op de verkoop van perceel [perceel 2.] aan de heer [directeur Transportbedrijf]. Dat kan ik. Het bedrijf van de heer [directeur Transportbedrijf] had een vliegende start gemaakt en was op zoek naar een nieuwe locatie voor zijn bedrijfsactiviteiten. Hij had in eerste instantie interesse in verschillende percelen binnen de gemeente Gemert-Bakel. De gemene deler van deze locatie was dat het VAB-locaties betroffen (Vrijkomende Agrarische Bedrijven). Gezien de lage grondprijs was een dergelijke locatie interessanter voor hem dan een perceel op een bedrijfslocatie. Wij vonden vestiging van zijn bedrijf op een VAB-locatie echter een onwenselijke situatie. Op enig moment heeft de heer [directeur Transportbedrijf] besloten om toch de stap te maken naar een bedrijventerrein, waarna perceel [perceel 2.] een geschikte locatie was (…).
Eerdere inschrijving van [appellanten] c.s. dan [Transportbedrijf].
Inhoudelijk. Belangenafweging.