Het hof overweegt het navolgende.
De man drijft een onderneming in de vorm van een eenmanszaak, handelend onder de naam ‘[Montagebouw] Montagebouw’ te [vestigingsplaats]. Uit de door de man overgelegde jaarstukken blijkt dat in de laatste jaren de navolgende resultaten zijn behaald: in 2008 een winst van € 44.850,-, in 2009 een winst van € 41.672,-, in 2010 een winst van € 30.866,-, in 2011 een winst van € 22.576,-.
Waar de man in eerste aanleg nog slechts een concept-jaarrekening 2012 heeft overgelegd, heeft hij in hoger beroep de definitieve jaarrekening 2012 in het geding gebracht. Uit deze definitieve jaarrekening blijkt dat in 2012 een winst is gerealiseerd van € 24.449,-. De man heeft voorts in hoger beroep de concept-cijfers van het eerste halfjaar 2013 overgelegd waaruit een voorlopige winst (geëxtrapoleerd naar een jaar) blijkt van € 19.564,-. De voormelde jaarrekening 2012 en de concept-cijfers 2013 zijn ter zitting met partijen besproken. Het hof constateert dat uit de halfjaarcijfers van 2013 blijkt dat in de eerste zes maanden in 2013 een winst is behaald die hoger is dan in de eerste helft van 2012.
De man heeft ten aanzien van de voormelde winstcijfers ter zitting verklaard, anders dan in zijn beroepschrift is gesteld, dat er vanaf 2008 weliswaar sprake is geweest van een winstdaling, doch dat uit de cijfers tot en met heden volgt dat het resultaat in de onderneming inmiddels is gestabiliseerd.
Gelet op het vorenstaande ziet het hof onvoldoende aanleiding om af te wijken van de gebruikelijke berekeningswijze bij de berekening van de draagkracht van een ondernemer, zodat het hof, mede gelet op de ingangsdatum van de door de man te betalen onderhoudsbijdragen, uitgaat van het gemiddelde van de bedrijfsresultaten over 2010, 2011 en 2012, hetgeen neerkomt op een gemiddelde winst uit onderneming van € 25.963,66 per jaar.
Het hof overweegt voorts dat uit de stellingen van de vrouw met betrekking tot de oom van de man niet valt af te leiden dat uitgegaan moet worden van een hoger inkomen van de man dan uit de jaarstukken naar voren komt. Ook is niet gesteld of gebleken dat de cijfers van de onderneming na het uiteengaan van partijen zodanig afwijken van de tendens in de bouw, dat om die reden van een ander - hoger - inkomen van de man zou moeten worden uitgegaan.