Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2013:5950

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
29 november 2013
Publicatiedatum
10 december 2013
Zaaknummer
WR 201 - 23 -2013
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Rechters
  • N.J.M. van Etten
  • J. Swinkels
  • N.J.M. Ruyters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 RvArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen raadsheren in civiele familierechtzaak

Verzoekster, voormalig advocaat, diende een wrakingsverzoek in tegen drie raadsheren van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, afdeling civiel recht, team familie, omdat de zitting in de hoofdzaak niet werd aangehouden ondanks haar verzoek daartoe. Het verzoek was mede ingegeven door een eerder voorwaardelijk wrakingsverzoek en een uitstelverzoek die niet tijdig bij de raadsheren waren gekomen.

De wrakingskamer behandelde het verzoek op 15 november 2013 en wees het verzoek af. De raadsheren ontkenden kennis te hebben gehad van het uitstel- en wrakingsverzoek. De wrakingskamer oordeelde dat de gang van zaken niet leidde tot een redelijke grond voor het vermoeden van vooringenomenheid of een objectief gerechtvaardigde vrees daarvan.

Mr. Graus, advocaat van verzoekster, trok zich tijdens de zitting terug en vroeg aanhouding, wat werd geweigerd en als misbruik van procesrecht werd aangemerkt. De wrakingskamer besloot het proces in de hoofdzaak voort te zetten zoals het was en beveelde onverwijlde mededeling van de beslissing aan alle betrokken partijen.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de raadsheren is afgewezen en het proces wordt voortgezet.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Wrakingskamer
registratienummer wraking: Wr 201-23-2013
datum beslissing: 29 november 2013
beslissing op het verzoek als bedoeld in artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)
in de zaak met zaaknummer HV 200.132.026/01 (hierna: de hoofdzaak) van
[de vrouw],
appellante,
voormalig advocaat: mr. P.M.J. Graus,
hierna te noemen: verzoekster,
tegen:
Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,
geïntimeerde,
en de volgende door het hof als zodanig aangemerkte belanghebbenden:
  • Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidoost Nederland, kantoorhoudende te Maastricht;
  • [belanghebbende 2.];
  • [belanghebbende 3.];
strekkende tot wraking van de mrs. M.J.C. Koens, M.C. Bijleveld-van der Slikke en M.K. de Menthon Bake raadsheren bij de afdeling civiel recht, team familie van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.

1.Het procesverloop

1.1.
Op 17 oktober 2013 is ter griffie van het hof het door mr. Graus namens verzoekster per fax ingediende wrakingsverzoek ontvangen. Uit de verwijzing door mr. Graus in zijn verzoek naar een kennelijk eerder op 7 oktober 2013 in deze zaak door verzoekster ingediend voorwaardelijk wrakingsverzoek van alle betrokken raadsheren, leidt de wrakingskamer af dat ook het onderhavige wrakingsverzoek is gericht tegen alle betrokken raadsheren.
1.2.
De mrs. M.J.C. Koens, M.C. Bijleveld-van der Slikke en M.K. de Menthon Bake hebben niet in de wraking berust. Mr. De Menthon Bake heeft een schriftelijke reactie op het verzoek aan de wrakingskamer toegezonden.
1.3.
De wrakingskamer heeft het wrakingsverzoek ter zitting van 15 november 2013 met gesloten deuren behandeld. Mr. Graus is ter zitting verschenen. Verzoekster zelf is niet verschenen. De mrs. Koens, Bijleveld-van der Slikke en De Menthon Bake hebben geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om op het wrakingsverzoek te worden gehoord en zijn ter zitting evenmin verschenen. Ook de belanghebbenden zijn ter zitting niet verschenen.
1.4.
Mr. Graus heeft zich bij aanvang van de zitting als advocaat onttrokken en in verband daarmee om aanhouding van de zitting gevraagd. Mr. Graus heeft daartoe aangevoerd dat hij er bezwaar tegen heeft dat in vier door hem ingediende wrakingsverzoeken achtereenvolgens op dezelfde middag zitting is bepaald, nu deze handelwijze wijst op een strijd tussen hem als raadsman en het hof, hetgeen ten nadele is van verzoekster.
Na een korte schorsing heeft de wrakingskamer het verzoek om aanhouding geweigerd. Volgens de wrakingskamer valt niet in te zien dat het enkele feit dat de behandeling van de vier wrakingsverzoeken op dezelfde middag is bepaald, wijst op een strijd als door mr. Graus bedoeld. Gelet hierop en gelet op het feit dat de onttrekking als advocaat en het verzoek om aanhouding ter zitting van de wrakingskamer zijn geschied vanwege een omstandigheid die al ruim een week aan mr. Graus bekend was, moet het aanhoudingsverzoek als misbruik van procesrecht worden aangemerkt.
In verband met zijn onttrekking als advocaat heeft mr. Graus geen nadere toelichting op het wrakingsverzoek gegeven.
1.5.
Na de mondelinge behandeling heeft de voorzitter het onderzoek gesloten en medegedeeld dat de wrakingskamer op 29 november 2013 in het openbaar uitspraak zal doen.

2.Het standpunt van verzoekster

Verzoekster stelt zich op het standpunt dat de weigering door het hof om de behandeling van de hoofdzaak ter zitting d.d. 8 oktober 2013 aan te houden een grond voor wraking oplevert. Verzoekster heeft in dit verband aangevoerd dat op 7 oktober 2013 ter griffie van het hof door mr. Graus namens verzoekster een wrakingsverzoek is ingediend tegen alle betrokken raadsheren onder de voorwaarde dat het door verzoekster gedane verzoek om uitstel van de op 8 oktober 2013 bepaalde zitting in de hoofdzaak door het hof zou worden afgewezen, dat deze voorwaarde is vervuld en dat gezien de wraking de zitting d.d. 8 oktober 2013 geen doorgang mocht vinden.

3.Het standpunt van de raadsheren tegen wie het wrakingsverzoek is gericht

Mr. De Menthon Bake heeft in haar schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek laten weten niet op de hoogte te zijn geweest van het beweerdelijke uitstelverzoek van verzoekster noch van het beweerdelijke voorwaardelijke wrakingsverzoek van verzoekster d.d. 7 oktober 2013.

4.De beoordeling

4.1.
Ingevolge artikel 36 Rv Pro kan elk van de rechters die een zaak behandelen, door een partij worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
4.2.
Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
4.3.
Het wrakingsverzoek is ingegeven door het feit dat de zitting in de hoofdzaak niet is aangehouden, ondanks een verzoek van verzoekster daartoe. Uit het dossier leidt de wrakingskamer af dat verzoekster op 4 september 2013 om uitstel heeft verzocht van de op 8 oktober 2013 bepaalde zitting in de hoofdzaak. Uit het dossier leidt de wrakingskamer verder af dat dit verzoek van verzoekster door het hof niet in behandeling is genomen omdat (zo begrijpt de wrakingskamer) het verzoek niet voldeed aan de vereisten conform het procesreglement. Voorts constateert de wrakingskamer dat verzoekster volgens eigen opgave in een brief van 17 oktober 2013 van mr. Graus daags voordat de behandeling van de hoofdzaak ter zitting d.d. 8 oktober 2013 zou plaatsvinden, een wrakingsverzoek heeft ingediend, zulks kennelijk met het doel de zitting alsnog geen doorgang te laten vinden. De wrakingskamer stelt vast dat dit wrakingsverzoek evenals het voorafgaande uitstelverzoek van verzoekster d.d. 4 september 2013, niet tijdig ter kennis is gekomen van de betrokken raadsheren, de mrs. Koens, Bijleveld-van der Slikke en De Menthon Bake, getuige ook de schriftelijke reactie van laatstgenoemde op het wrakingsverzoek.
4.4.
Voormelde gang van zaken kan naar het oordeel van de wrakingskamer in redelijkheid niet leiden tot de conclusie dat de mrs. Koens, Bijleveld-van der Slikke en De Menthon Bake jegens verzoekster vooringenomen zijn dan wel dat de mogelijk bij verzoekster dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het verzoek tot wraking zal derhalve worden afgewezen.
4.5.
Mitsdien wordt beslist als volgt.

5.De beslissing

De wrakingskamer:
wijst het verzoek tot wraking af;
bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het onderhavige wrakingsverzoek;
beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan verzoekster, mr. Graus, geïntimeerde, de belanghebbenden en de mrs. Koens, Bijleveld-van der Slikke en De Menthon Bake.
Deze beslissing is gegeven door mrs. N.J.M. van Etten, J. Swinkels en N.J.M. Ruyters in tegenwoordigheid van mr. C.J.G. Streutjes als griffier en in het openbaar uitgesproken op 29 november 2013. Mr. J. Swinkels en mr. N.J.M. Ruyters zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.