Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 160883/HA ZA 07-1256)
2.Het geding in hoger beroep
3.De gronden van het hoger beroep
4.De beoordeling
‘discounted cashflow’.Op basis hiervan kwam [deskundige 2] uit op een waarde van fl. 3.244.710,= (€ 1.472.385,=) voor de helft van de aandelen. Na vermeerdering van dit bedrag met de margederving als bedoeld in artikel 10 lid 6 van Pro de joint venture-overeenkomst en management fees kwam [deskundige 2] in totaal uit op fl. 6.434.594,= (€ 2.919.891,=).
intrinsieke waarde op basis van het zichtbaar eigen vermogen van de vennootschap, vermeerderd met eventuele stille reserves in de aanwezige activa en uitgaande van de going concern waarde’en kwam op die basis voorlopig (onder voorbehoud van de definitieve jaarstukken 2001) uit op een waarde van fl. 843.089,= (€ 382.577,=) voor de aandelen. [deskundige 1] achtte in dat stadium verder onderzoek nodig naar het bestaan van margederving.
bargaining power(deskundigenbericht van 8 april 2009; bijlage 27 prod. 22 mvg) heeft het hof in zijn eindarrest van 22 december 2009 in die zaak Cehave veroordeeld tot betaling aan [appellante] van een bedrag van € 1.657.240,99 (fl. 3.636.480,=), vermeerderd met rente. Dit schadebedrag bestaat uit de volgende schadeposten (12.15 eindarrest van 22 december 2009): fl. 1.416.480,= (margederving en verlies aan bargaining power), fl. 1.400.000,= (inkomstenderving ter zake winstaandeel), fl. 612.000,= (management fees) en 208.000,= (kantoorhuur).
per enige door het hof te bepalen datum;
per enige door het hof te bepalen datum, en (subsidiair) als ingangsdatum van de wettelijke rente bepalen
de datum waarop de aandelen zijn gewaardeerd althans de dag van het nemen van de memorie van grieven;
Cehave tevens veroordelen tot terugbetaling aan [appellante] van de proceskostenveroordeling uit hoofde van het bestreden vonnis van 20 juni 2012 van € 9.975,= die [appellante] aan Cehave heeft voldaan, te vermeerderen met rente.
‘Opzegging dient plaats te vinden vóór 30 september van het lopende kalenderjaar tegen het einde van het betreffende kalenderjaar; de overeenkomst loopt alsdan nog minimaal zes maanden doch maximaal 12 maanden in het daaropvolgende kalenderjaar door, dan wel zoveel korter als partijen nodig hebben om omtrent de volgende zaak overeenstemming te bereiken: (..) Overname en overnamedatum van alle cont(r)acten - om niet – door de partij aan wie wordt opgezegd;’Naar het oordeel van het hof brengt een letterlijke interpretatie van voormeld onderdeel van artikel 10 lid 6 met Pro zich dat alle contacten en contracten van InCo-öp in het onderhavige geval om niet aan [appellante] moesten worden overgedragen. Een dergelijke uitleg ligt ook voor de hand omdat de aandelen van InCo-öp volgens artikel 10 lid 6 moeten Pro gewaardeerd tegen de intrinsieke waarde en derhalve exclusief de waarde van de contracten en contacten (de goodwill), terwijl vervolgens logisch is dat deze contracten en contacten worden toebedeeld aan de partij die is opgezegd (wie breekt betaalt). Cehave heeft in haar verweer onvoldoende duidelijk en concreet feiten en omstandigheden gesteld die duiden op een andere uitleg. Hiertoe is met name onvoldoende het enkele feit dat de vordering van [appellante] jegens Cehave om de contracten en contacten van InCo-öp aan [appellante] over te dragen, is afgewezen door de voorzieningenrechter van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch bij vonnis van 5 maart 2002 en dat deze afwijzing is bekrachtigd door het hof ‘s-Hertogenbosch bij arrest van 17 oktober 2002. Beslissingen in een voorlopige voorzieningenprocedure hebben geen gezag van gewijsde.
‘met margederving wordt bedoeld het marge nadeel van [appellante] door het wegvallen van de schaalvoordelen van de joint-venture’) niet wordt bestreken door de in de andere zaak toegewezen schadevergoeding, dan wel (2) anderszins aanleiding bestaat bovenop de in de andere zaak toegewezen schadevergoeding in de onderhavige procedure (aanvullende) schadevergoeding vanwege margederving vanaf 1 januari 2002 toe te kennen. Het enkele feit dat [deskundige 2] vanaf 2000 een margederving becijfert van fl. 2.799.884,= (€ 1.270.531,=), is hiertoe onvoldoende. Het voorgaande brengt met zich dat vaststaat dat [appellante] haar schade vanwege margederving vanaf 1 januari 2002 reeds vergoed heeft gekregen (althans hiertoe een titel heeft), zodat deze schade in de onderhavige procedure niet meer aan de orde is.