ECLI:NL:GHSHE:2013:6106

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
20 december 2013
Publicatiedatum
20 december 2013
Zaaknummer
204-26-2013
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 512 Sv
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen raadsheren strafkamer gerechtshof

In deze zaak heeft de verzoeker schriftelijk wraking gevraagd van drie raadsheren van de strafkamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch. Het wrakingsverzoek betrof vermeende partijdigheid doordat de strafkamer in een tussenarrest had besloten drie deskundigen op te roepen, maar niet een vierde psycholoog die kritiek had geuit op een van de opgeroepen deskundigen.

De wrakingskamer heeft het verzoek behandeld in raadkamer, waarbij ook de advocaat-generaal en de raadsman van verzoeker aanwezig waren. De wrakingskamer beoordeelde dat de rechter dient te worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij er uitzonderlijke omstandigheden zijn die het tegendeel aannemelijk maken.

De wrakingskamer concludeerde dat de keuze voor de opgeroepen deskundigen een ambtshalve beslissing was zonder debat tijdens de terechtzitting en dat het ontbreken van een nadere motivering hiervoor niet leidt tot een gegronde verdenking van partijdigheid. Tevens werd benadrukt dat de uitspraak van het Centraal Tuchtcollege die kritiek bevatte op een van de deskundigen wel degelijk aan de opgeroepen deskundigen ter beschikking werd gesteld.

De wrakingskamer stelde dat verzoeker vrij staat om zelf initiatieven te nemen om de vierde deskundige op te roepen en dat er geen sprake is van een onredelijke weigering door de strafkamer. Gezien het ontbreken van aanwijzingen voor vooringenomenheid werd het wrakingsverzoek als ongegrond afgewezen en werd het proces in de hoofdzaak voortgezet zoals het was.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de raadsheren is afgewezen wegens gebrek aan gegronde aanwijzingen voor partijdigheid.

Uitspraak

GERECHTSHOF TE ’s-HERTOGENBOSCH

meervoudige kamer voor de behandeling van een wrakingsverzoek
Registratienummer: 204-26-2013
Datum uitspraak: 20 december 2013
BESLISSING
op het schriftelijke verzoek als bedoeld in artikel 512 van Pro het Wetboek van Strafvordering, in de zaak met parketnummer 20-004412-12 van:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,
thans verblijvende in PI Rijnmond - Gev. De IJssel te Krimpen aan den IJssel,
hierna te noemen: “de verzoeker”,
strekkende tot wraking van mrs. J.J. van der Kaaden, M.L.P. van Cruchten en
M.I.A. Schlaghecke-Bouman, raadsheren in de afdeling strafrecht van het gerechtshof te
’s-Hertogenbosch.

1.Het procesverloop

De wraking van de raadsheren die deel uitmaken van de strafkamer is schriftelijk verzocht bij faxbericht d.d. 22 november 2013, afkomstig van mr. J.A.W. Knoester, raadsman van verdachte.
Mr. Van der Kaaden heeft schriftelijk op het wrakingsverzoek gereageerd. De gewraakte raadsheren hebben niet in de wraking berust.
De wrakingskamer heeft het wrakingsverzoek in raadkamer behandeld op 12 december 2013, in
aanwezigheid van de advocaat-generaal mr. A.W.A. Willemsen en de raadsvrouwe mr. A.A. van Harmelen, die waarnam voor mr. J.A.W. Knoester.
Bij die gelegenheid heeft de raadsvrouwe het wrakingsverzoek nog nader toegelicht.
Advocaat-generaal mr. A.W.A. Willemsen heeft mondeling geconcludeerd tot afwijzing van het
wrakingsverzoek.

2.De beoordeling

2.1.
Ingevolge artikel 512 van Pro het Wetboek van Strafvordering kan wraking van een bepaalde rechter worden verzocht op grond van feiten of omstandigheden waardoor diens onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2.2.
Bij de beoordeling van het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter dient uitgangpunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
2.3.
Uit de inhoud van het wrakingsverzoek en uit de bij gelegenheid van de mondelinge behandeling daarop gegeven toelichting valt af te leiden dat in de visie van verzoeker door de strafkamer op z’n minst de schijn van partijdigheid is gewekt doordat de strafkamer in het tussenarrest van 21 november 2013 het onderzoek heeft heropend en de oproeping van drie deskundigen heeft bevolen, te weten de psychiater Grochowska en de psycholoog Seinen, beiden van het PBC, alsmede de psycholoog Van Beek van de Van der Hoevenkliniek. Door niet tevens de oproeping te bevelen van de psycholoog Zweegers, die zich kritisch heeft uitgelaten omtrent de rapportage van Van Beek en door niet te bepalen dat de opgeroepen deskundigen in kennis dienen te worden gesteld van de uitspraak van het Centraal Tuchtcollege, waarin klachten tegen van Beek gegrond zijn verklaard, is volgens verzoeker de schijn ontstaan dat de strafkamer:
de kritiek op de rapportage van Van Beek heeft willen ”weghouden” bij de rapporteurs van het PBC;
de kritiek op de rapportage van Van Beek van minder gewicht acht dan het oordeel van de deskundigen van het PBC.
Namens verzoeker is hieraan bij gelegenheid van de mondelinge behandeling toegevoegd dat de strafkamer ten onrechte in het geheel niet heeft gemotiveerd waarom wél Van Beek als deskundige is opgeroepen en níet Zweegers.
2.4.
De wrakingskamer stelt allereerst vast dat uit de reactie van mr. Van der Kaaden op het wrakingsverzoek blijkt dat het verwijt van verzoeker dat de strafkamer de uitspraak van het Centraal Tuchtcollege heeft willen ”weghouden” bij de deskundigen van het PBC berust op een onjuiste lezing van het tussenarrest: ook die uitspraak hoort tot de stukken die aan de opgeroepen deskundigen ter beschikking moeten worden gesteld.
2.5.
Op zichzelf is de constatering van verzoeker juist dat de strafkamer niet heeft gemotiveerd waarom de deskundige Van Beek wél is opgeroepen en de deskundige Zweegers niet. Dit gegeven kan echter niet los worden gezien van het feit dat het hier gaat om een ambtshalve genomen beslissing van de strafkamer: over het al dan niet (alsnog) oproepen van deskundigen heeft geen debat plaatsgevonden tijdens de terechtzitting op 7 november 2013. Aan het ontbreken van een nadere motivering voor de keuze van de drie deskundigen, die in het tussenarrest zijn genoemd, kan naar het oordeel van de wrakingskamer dan ook in redelijkheid geen conclusie worden verbonden, en zeker niet de conclusie die verzoeker eraan verbindt, namelijk dat de keuze voor de drie deskundigen zou zijn ingegeven door de wens van de strafkamer om de ondeugdelijke rapportage van Van Beek te ”repareren”.
2.6.
De wrakingskamer merkt in dit verband op dat, indien verzoeker meent dat er goede redenen zijn om ook de deskundige Zweegers ter terechtzitting te doen oproepen, het hem vrijstond (en nog vrij staat) om daartoe de nodige initiatieven te nemen. Indien de strafkamer vervolgens op ondeugdelijke gronden zou weigeren om aan een dergelijk verzoek tegemoet te komen, zou hij mogelijk redenen hebben om te klagen, maar een dergelijke situatie doet zich hier niet voor.
2.7.
De conclusie is dat niet is gebleken van omstandigheden die de conclusie zouden kunnen rechtvaardigen dat de leden van de strafkamer jegens verzoeker een vooringenomenheid koesteren, dan wel dat de kennelijk bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd zou zijn.
2.8.
Het vorenstaande brengt met zich dat het verzoek tot wraking als ongegrond dient te worden afgewezen.
B E S L I S S I N G
Het hof:
Wijsthet verzoek tot wraking af.
Bepaaltdat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek.
Beveeltde onverwijlde mededeling van deze beslissing aan de verzoeker, diens raadsman, de advocaat-generaal en de raadsheren mrs. J.J. van der Kaaden, M.L.P. van Cruchten en
M.I.A. Schlaghecke-Bouman.
Aldus gedaan in raadkamer door
mr. N.J.M. van Etten, voorzitter,
mr. K.J. van Dijk en mr. J. Swinkels,
in tegenwoordigheid van mr. M.F.S. ter Heide als griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 20 december 2013.