1. het op 01.01.1995 door partijen getekende Anstellungsvertrag (productie 1 bij dagvaarding);
2. de brief van [appellant] aan Arboned d.d. 5 december 2003 (productie 4 bij conclusie van antwoord in conventie);
3. het antwoordformulier contract 2003 van Arboned (behorend tot voormelde productie 4);
4. het Besprechungsprotokoll (productie 6 bij de conclusie van antwoord in conventie);
5. de aktes van beide partijen d.d. 12 mei 2011 en de aktes van beide partijen d.d. 9 juni 2011;
6. de verklaringen van de heer [Y.] d.d. 25-11-02 respectievelijk 26-11-02 (productie 15 bij dagvaarding.
7. Het arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch dd. 29 april 2008.
8. voormeld tussenvonnis van 17 februari 2011.
de volgende vragen te beantwoorden
A. Dienen de hiervoor genoemde bescheiden nummers 2 en 3 volgens Duits recht te worden aangemerkt als een opzegging van de arbeidsovereenkomst zijdens [appellant]?
B. Na hoeveel tijd verjaren volgens Duits recht de provisieaanspraken van [appellant] als bedoeld in de arbeidsovereenkomst onder paragraaf 12 sub 3 3n 5?
C. Op welke manier kan de verjaringstermijn van de hiervoor bedoelde provisieaanspraken naar Duits recht worden gestuit of geschorst en wat zijn de gevolgen daarvan?
D. Is de werkgever - Ströter - gehouden om aan [appellant] inzage te geven van de berekening van de provisieaanspraken en op welke wijze dient dat te geschieden?
E. Heeft [appellant] een controlerecht op de eventuele door Ströter te verstrekken provisiespecificaties en waaruit betstaat dat recht?
F. Welke bewijswaarde dient aan de verklaringen van de heer [Y.] (zie boven onder 6) te worden toegekend?
G. Wanneer de arbeidsovereenkomst van partijen niet op grond van de hiervóór onder 2 en 3 genoemde stukken per 5 december 2003 is geëindigd, wat is het gevolg daarvan voor de loonbetaling en de provisierechten van [appellant] nu hij eind november 2002 arbeidsongeschikt is geraakt en dat na 5 december 2003 is gebleven?
H. De bepaling onder paragraaf 12 sub 5 onder 4 van de arbeidsovereenkomst luidt ten aanzien van de provisieaanspraken van [appellant] als volgt;
“Alle van den Arbeitgeberin vertriebenen Elektronikteile und elektronischen Geräte, auch wenn es sich hierbei nicht um Erfindungen des Arbeitnehmers handelt. "
Voorshands wijst deze bepaling op een provisierecht van [appellant] dat is gerelateerd aan de verkoop van alle elektronische gereedschappen en apparaten door Ströter, ook wanneer [appellant] bij de ontwikkeling daarvan niet is betrokken. Zijn er regels of argumenten naar Duits recht die leiden tot een andere uitleg van deze contractsbepaling?
I. Ströter heeft in reconventie terugbetaling gevorderd van de aan [appellant] betaalde provisies met het argument dat [appellant] niet de uitvinder is van de Flanschmotor (MIG), hetgeen [appellant] naar Ströter toe wel heeft gepretendeerd. Deze stelling is door [appellant] gemotiveerd betwist. Uit de door Ströter in dit verband overgelegde stukken volgt niet zonder meer dat [appellant] niet de uitvinder van de MIG is. Op welke partij rust naar Duits recht de bewijslast op dit punt?
J. Welke status heeft voormeld Besprechungsprotokoll. Kan deze volgens het Duitse recht als een tussen partijen gesloten (vaststellings-)overeenkomst worden beschouwd?
K. Zijn er sancties op vertraagde provisiebetalingen waarop [appellant] eventueel recht zou hebben?
L. Kan op grond van voornoemde verklaringen van de heer [Y.] worden vastgesteld dat [appellant] heeft voldaan aan punt 2.cc. van het Besprechungsprotokoll?
M. Heeft u eigener beweging nog opmerkingen die van belang kunnen zijn voor de beoordeling in deze zaak? “