AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging gezag vader en omgangsregeling grootmoeder met kleinkind na overlijden moeder
Na het overlijden van de moeder, die het gezag over het minderjarige kind uitoefende, heeft de raad verzocht om het gezag aan de vader toe te kennen. De grootmoeder stelde zich hiertegen op en verzocht tevens om een omgangsregeling met het kind.
Het hof heeft de feiten en standpunten van partijen zorgvuldig gewogen, waarbij onder meer is gekeken naar het belang van het kind, de relatie tussen het kind en de vader, alsmede de nauwe persoonlijke betrekking tussen de grootmoeder en het kind. Het hof concludeert dat het in het belang van het kind is dat de vader met het gezag wordt belast.
Daarnaast heeft het hof een omgangsregeling vastgesteld die recht doet aan de sterke band tussen grootmoeder en kind, maar ook rekening houdt met de ingroei van het kind in het gezin van de vader en de verstoorde verhouding tussen vader en grootmoeder. De omgang vindt plaats eenmaal per vier weken een weekend, met overnachtingen, en daarnaast twee keer per jaar een week in de vakantie en tweemaal per jaar tijdens de feestdagen.
Het hof wijst de verzoeken van de grootmoeder tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing af en bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Middelburg die het gezag aan de vader toekent en de omgangsregeling vaststelt. Het mediationtraject tussen partijen heeft niet tot resultaat geleid.
Uitkomst: Het hof bevestigt het gezag van de vader en stelt een omgangsregeling vast waarbij de grootmoeder eenmaal per vier weken een weekend omgang heeft met het kind.
Uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Afdeling civiel recht
Uitspraak: 14 februari 2013
Zaaknummers: HV 200.109.180/01, HV 200.109.180/02 en HV 200.111.571/01
Zaaknummers eerste aanleg: 83354 / FA RK 12-493 en FA RK 82395 / 12-184
in de zaken in hoger beroep van:
[X.],
wonende te [woonplaats],
appellant in principaal appel en verweerder in incidenteel appel in de zaken met nummers HV 200.109.180/01 en HV 200.109.180/02,
verweerder in de zaak met nummer HV 200.111.571/01,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. V.C. Serrarens,
tegen
[Y.],
wonende te [woonplaats],
verweerster in principaal appel en appellante in incidenteel appel in de zaken met nummers HV 200.109.180/01 en HV 200.109.180/02,
appellante in de zaak met nummer HV 200.111.571/01,
hierna te noemen: de grootmoeder,
advocaat: mr. B. Vermeirssen.
1. Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst naar de beschikkingen van de rechtbank Middelburg van 16 mei 2012.
2. Het geding in hoger beroep
In de zaken met nummers HV 200.109.180/01 en HV 200.109.180/02
2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 28 juni 2012, heeft de vader verzocht de beschikking van de rechtbank Middelburg d.d. 16 mei 2012 met zaaknummer 83354 / FA RK 12-493 te vernietigen en de uitvoerbaarheid bij voorraad met onmiddellijke ingang op te heffen en te bepalen dat er een omgangsregeling zal zijn tussen de grootmoeder en de hierna te noemen minderjarige van één zaterdag per zes weken van 09.00 uur tot 17.00 uur en deze beschikking, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
2.2. Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 14 augustus 2012, heeft de grootmoeder verzocht het verzoek van de vader af te wijzen.
Tevens heeft de grootmoeder incidenteel appel ingesteld en verzocht voormelde beschikking te vernietigen en een omgangsregeling vast te stellen tussen de hierna te noemen minderjarige en de grootmoeder, inhoudende dat er omgang is gedurende één weekend per twee weken van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur, waarbij de vader en de grootmoeder het halen en brengen van [kind] in onderling overleg regelen, alsmede gedurende twee keer per jaar een week in de vakantie, alsmede gedurende de feestdagen, een en ander in onderling overleg te bepalen.
2.3. Bij verweerschrift in incidenteel appel met één productie, ingekomen ter griffie op 27 augustus 2012, heeft de vader, kort gezegd, verzocht de verzoeken van de grootmoeder in incidenteel appel af te wijzen.
2.4. Het hof heeft in deze zaken voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- de stukken van de eerste aanleg, overgelegd bij het beroepschrift;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 24 april 2012;
- de brief van raad d.d. 10 juli 2012;
- de brief van de stichting d.d. 16 juli 2012, met bijlagen;
- de brief van de advocaat van de vader d.d. 24 juli 2012.
In de zaak met nummer HV 200.111.571/01
2.5. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 14 augustus 2012, heeft de grootmoeder verzocht de beschikking van de rechtbank Middelburg d.d. 16 mei 2012 met nummer FA RK 82395 / 12-184 te vernietigen en het gezag over de hierna te noemen minderjarige niet toe te kennen aan de vader en zo mogelijk te bepalen dat de minderjarige onder toezicht zal worden gesteld en een machtiging tot uithuisplaatsing bij de grootmoeder als pleegmoeder af te geven.
2.6. Bij verweerschrift met één productie, ingekomen ter griffie op 27 augustus 2012, heeft de vader primair verzocht het verzoek van grootmoeder niet-ontvankelijk te verklaren en subsidiair verzocht het verzoek van de grootmoeder af te wijzen.
2.7. Het hof heeft in deze zaak voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- de stukken van de eerste aanleg, overgelegd bij het beroepschrift;
- de brief van de advocaat van de grootmoeder d.d. 14 augustus 2012;
- het faxbericht met bijlagen van de advocaat van de grootmoeder d.d. 27 augustus 2012.
In de zaken met nummers HV 200.109.180/01, HV 200.109.180/02 en HV 200.111.571/01
2.8. Gelet op de verknochtheid van de onder nummer HV 200.109.180/01, HV 200.109.180/02 en HV 200.111.571/01 ter griffie ingeschreven zaken, heeft het hof deze zaken gevoegd, opdat zij gezamenlijk zullen worden behandeld en beslist.
2.9. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2012. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de vader en zijn partner, mevrouw [partner vader] (hierna mevrouw [partner vader]), bijgestaan door mr. Serrarens;
- de grootmoeder, bijgestaan door mr. Vermeirssen;
- Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad), vertegenwoordigd door de heer P.J.G. Belde;
- Stichting Bureau Jeugdzorg Zeeland (hierna: de stichting), vertegenwoordigd door mevrouw C.C. Sies.
2.9.1. De zitting is tweemaal geschorst voor beraad aan de zijde van partijen. Na hervatting hebben partijen zich bereid verklaard deel te nemen aan een mediationtraject.
De voorzitter heeft medegedeeld dat gedurende het mediationtraject de omgangsregeling, alsmede de gezagsvoorzieningen, zoals vastgelegd in de bestreden beschikkingen, van kracht blijven. De voorzitter heeft vervolgens de mondelinge behandeling gesloten.
De behandeling van de zaak is aangehouden tot 14 december 2012 pro forma of zoveel eerder indien zou blijken dat het mediationtraject niet op gang komt, dan wel indien het mediationtraject voortijdig is geëindigd.
Het hof heeft partijen verzocht uiterlijk één week voorafgaande aan deze datum het hof en de raad te informeren omtrent de uitkomsten van de mediation.
Van het verhandelde ter zitting is een verkort proces-verbaal opgemaakt dat zich onder de stukken bevindt.
2.10. Bij brief van 11 oktober 2012 heeft mr. Serrarens het hof bericht dat het mediation¬traject niet op gang is gekomen. Tevens heeft zij namens de vader verzocht om de zaak naar een forensisch mediator te verwijzen. Mevrouw [forensisch mediator] te [plaats] was volgens mr. Serrarens bereid in deze zaak op te treden als forensische mediator.
2.11. Het hof heeft partijen vervolgens bij brief d.d. 22 oktober 2012 verzocht om uiterlijk vrijdag 2 november 2012, via hun advocaten aan het hof kenbaar te maken of zij akkoord gaan met de verwijzing door het hof naar forensische mediation, of partijen kunnen instemmen met de benoeming van mevrouw [forensisch mediator], dan wel een andere door partijen aan te wijzen deskundige, als forensische mediator en of partijen bereid zijn de kosten te dragen voor de door de forensische mediator te verrichten werkzaamheden.
2.11.1. Het hof heeft van mr. Serrarens bij brief d.d. 1 november 2012 vernomen dat de vader kan instemmen met het benoemen van mevrouw [forensisch mediator] als forensisch mediator en dat de vader zelf de kosten daarvan zal dragen.
Het hof heeft op voormeld verzoek geen reactie gekregen van mr. Vermeirssen.
2.12. De griffier van het hof heeft partijen telefonisch herinnerd aan het verzoek van het hof ter zitting, om uiterlijk één week voorafgaande aan de pro forma datum het hof en de raad te informeren omtrent de uitkomsten van de mediation.
2.12.1. Bij faxbericht d.d. 14 december 2012 heeft mr. Vermeirssen het hof bericht dat de poging tot mediation niet tot enig resultaat heeft geleid en namens de grootmoeder verzocht om uitspraak te doen in de zaken in hoger beroep.
Dit faxbericht is niet per gelijke post aan de raad verzonden.
2.12.2. Bij faxbericht d.d. 24 januari 2013 heeft mr. Serrarens – zakelijk weergegeven – bevestigd dat de poging tot mediation is mislukt en het hof bericht over de actuele stand van zaken. Mr. Serrarens heeft namens de vader verzocht de zaak zonder nadere mondelinge behandeling af te doen en daarbij het hoger beroep van de vader gegrond te verklaren en het hoger beroep van de grootmoeder af te wijzen.
Bij dit faxbericht heeft mr. Serrarens tevens een aantal bijlagen overgelegd. Nu de mondelinge behandeling is gesloten en het hof partijen geen toestemming heeft gegeven nog nadere stukken in het geding te brengen, heeft het hof deze bijlagen geretourneerd en van de inhoud van deze stukken geen kennisgenomen.
3. De beoordeling
3.1. De vader en mevrouw [de moeder] (hierna: de moeder) hebben van een affectieve relatie met elkaar gehad.
Uit de relatie van de vader en de moeder is geboren:
- [kind] (hierna: [kind]), op [geboortedatum] 2006 te [plaats].
De vader heeft [kind] erkend.
3.2. De moeder is op 18 december 2011 te [plaats] overleden.
De moeder oefende van rechtswege het gezag over [kind] uit.
3.3. Aangezien [kind] na het overlijden van de moeder niet onder het wettelijk vereiste gezag stond, is bij de beslissing van de kinderrechter d.d. 29 december 2011 de voorlopige voogdij over haar uitgesproken voor een periode van twaalf weken, zulks met benoeming van de stichting tot voogdijinstelling.
3.4. Bij voormelde bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking d.d. 16 mei 2012 heeft de rechtbank Middelburg in de zaak met nummer FA RK 82395 / 12-184 bepaald dat het gezag over [kind] voortaan wordt uitgeoefend door de vader.
3.4.1. De grootmoeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
3.5. Bij voormelde bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking d.d. 16 mei 2012 heeft de rechtbank Middelburg in de zaak met nummer 83354 / FA RK 12-493, voor zover thans van belang, bepaald dat er omgang zal zijn tussen de grootmoeder en [kind] gedurende een weekend per vier weken van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur, waarbij de vader en de grootmoeder het halen en het brengen van [kind] in onderling overleg regelen, alsmede gedurende twee keer per jaar een week in een vakantie, alsmede gedurende de feestdagen, een en ander in onderling overleg nader te bepalen.
3.5.1. Partijen kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen.
Gezag
3.6. De grootmoeder voert in haar beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting – kort samenge¬vat – aan dat de belangen van [kind] zouden worden verwaarloosd indien de vader voortaan het gezag over haar zal uitoefenen. Volgens de grootmoeder zal de vader alles in het werk stellen om de contacten tussen [kind] enerzijds en de grootmoeder, de twee halfzusjes en het halfbroertje van [kind] anderzijds te verbreken.
De grootmoeder stelt dat de moeder vóór haar overlijden met [kind] enige tijd bij de groot¬moeder heeft gewoond en dat [kind] in de periode dat zij niet bij haar woonde, regelmatig bij de grootmoeder verbleef. De grootmoeder stelt dat zij [kind] grotendeels heeft verzorgd en opgevoed. Er was voor het overlijden van de moeder slechts sprake van een beperkte omgangsregeling tussen [kind] en de vader, aldus de grootmoeder.
Direct na de begrafenis heeft de vader [kind] zonder goed overleg meegenomen en heeft hij elk contact afgehouden. De grootmoeder heeft ‘via via’ vernomen van de procedure ten aan¬zien van het gezag. De vader beschuldigt de grootmoeder ten onrechte van alcoholisme en het feit dat in haar huishouden geen ‘reinheid, rust en regelmaat’ aanwezig is.
De grootmoeder twijfelt aan de geschiktheid van de vader als gezagdragende ouder voor [kind]. De vader is volgens de grootmoeder slechts de helft van de tijd thuis, zodat hij feitelijk slechts een weekend per veertien dagen thuis is: de zorg voor [kind] komt dan neer op mevrouw [partner vader], aldus de grootmoeder. Voorts heeft de vader volgens de grootmoeder een geweldsverleden en hij staat bekend als “voetbalhooligan”.
3.7. De vader voert in zijn verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting – kort samengevat – aan dat de grootmoeder niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu haar beroepschrift gericht is aan de vader, terwijl de raad het inleidend verzoekschrift heeft ingediend.
Volgens de vader kan bovendien het verzoek van de juridische vader om met het gezag te worden belast enkel en alleen worden afgewezen indien er gegronde vrees bestaat dat bij de inwilli¬ging daarvan het belang van het kind zou worden verwaarloosd. Volgens de vader blijkt uit het rapport van de raad d.d. 7 februari 2012 dat niets eraan in de weg staat om de vader met het gezag te belasten. Volgens de vader heeft [kind] een goede band met mevrouw [partner vader], alsmede met haar zusjes en broertje. [kind] heeft al haar hele leven een uitgebrei¬de omgangsregeling met de vader en, in tegenstelling tot haar broertje en zusjes, een vader in haar leven die graag voor haar wil zorgen en haar wil opvoeden.
De vader betwist dat [kind] in het gezin van de grootmoeder is opgegroeid. De grootmoe¬der heeft weliswaar vaak opgepast, maar [kind] heeft ook langere periodes bij de vader verbleven, aldus de vader.
De grootmoeder was aanvankelijk zeer positief over het feit dat [kind] bij de vader zou op¬groeien. Hierin is verandering gekomen toen de grootmoeder in deze zaak niet als belang¬hebbende werd opgeroepen. De vader maakt zich zorgen over het alcoholgebruik van de grootmoeder.
De vader stelt dat hij omgang tussen [kind] en de grootmoeder op geen enkele wijze in de weg staat. Hij wenst de omgang slechts te beperken, zodat [kind] kan ingroeien in haar nieuwe gezinssituatie.
De man betwist voorts dat hij er te weinig voor [kind] zou zijn in verband met zijn werk. De raad heeft de werktijden van de man ook meegenomen in zijn onderzoek.
De man voert tot slot aan dat hij samen met de moeder een turbulent leven heeft geleid. Direct na de geboorte van [kind] is de man tot het besef gekomen dat het zo niet langer kon. De vader is erg blij dat [kind] bij hem is komen wonen en dat zij zich volledig thuis voelt in zijn gezin.
Omgang
3.8. De vader voert in zijn beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting – kort samengevat en voor zover niet tevens door hem in het kader van de gezagsprocedure is aangevoerd – het volgende aan.
De vader is van mening dat de door de rechtbank vastgestelde omgangsregeling te intensief is. Contact met de grootmoeder dient er ter zijn in een mate waarin dit niet ten koste gaat van de ontwikkeling van [kind]. Zij zit midden in een rouwverwerkingsproces en heeft meer dan anders behoefte aan rust, regelmaat en reinheid. Het contact met zusjes en het broertje van [kind] kan volgens de vader ook op andere wijze worden onderhouden: het huis van de vader zal altijd openstaan voor hen.
Volgens de vader is in het huishouden van de grootmoeder geen sprake van opvoeden: het is voor de kinderen een onhygiënisch en klein rommelhuis waar alles kan en mag. Onduidelijk is waar [kind] zal slapen als zij daar gaat overnachten. Er is sprake van verbaal geweld en ruzie tussen de volwassenen, aldus de vader. Volgens de vader heeft [kind] er last van dat zij zich steeds na een bezoek aan de groot¬moeder moet aanpassen aan de regels in het gezin van de vader.
Volgens de vader heeft de raad niet aangegeven dat de door hem voorgestelde omgangsrege¬ling te beperkt zou zijn. De vader voelt niets voor overnachtingen van [kind] bij de groot¬moeder, zeker niet nu de grootmoeder de strijd aangaat met de vader en [kind] in deze strijd betrekt. Hierdoor zal [kind] volgens de vader in een loyaliteitsconflict komen.
De vader wenst dat wordt vastgelegd dat de grootmoeder het halen en brengen verzorgt.
Tot slot bevreemdt het de vader dat de feestdagen en vakanties zijn meegeno¬men in de regeling, terwijl de grootmoeder daar niet om heeft verzocht.
3.9. De grootmoeder voert in haar verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting – kort samen¬gevat en voor zover niet tevens door haar in het kader van de gezagsprocedure is aangevoerd – het volgende aan.
De twee oudste kinderen van de moeder ([kind 2] en [kind 3]) en het jongere halfzusje van [kind] ([halfzusje]) verblijven reeds op grond van een juridische titel bij de grootmoeder. De woning van de grootmoeder is ‘goedgekeurd’ door pleegzorg en er is volgens de grootmoeder geen sprake van verbaal geweld.
Volgens de grootmoeder heeft de rechtbank terecht vastgesteld dat de rol van de grootmoe¬der bij de opvoeding van [kind] groter is dan een ‘normale’ grootmoeder, zodat er ook sprake moet zijn van een ruimere omgang dan een ‘normaal onderhoudscontact’.
De grootmoeder stelt dat het verzoek van de vader om de grootmoeder ‘op te zadelen’ met het halen en brengen van [kind] getuigt van het conflict van de vader jegens de groot¬moe¬der. De grootmoeder heeft verwezen naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van de recht¬bank Middelburg d.d. 17 juli 2012, waaruit blijkt dat de vader zelfs een rechterlijke uitspraak negeert en kennelijk van mening is dat hij de enige is die beslist over [kind].
Tot slot stelt de grootmoeder dat de rechtbank terecht een vakantieregeling heeft vastge¬steld en dat daarom ook is verzocht.
3.10. In incidenteel appel heeft de grootmoeder aangevoerd dat de door haar in eerste aanleg verzochte omgangsregeling, te weten één weekend per twee weken, niet belastend is voor [kind]. [kind] heeft hier juist behoefte aan volgens de grootmoeder. De rechtbank heeft haars inziens terecht overwogen dat omgang met de grootmoeder en haar zussen en broertje in het belang van [kind] is, temeer nu dit contact noodzakelijk is in het kader van de rouwverwerking. Een periode van vier weken tot het volgend contact is voor een kind te lang en niet te overzien, aldus de grootmoeder.
De grootmoeder ziet niet in waarom het belang van [kind] om in alle rust in het gezin van de vader in te groeien, in strijd is met een weekendregeling zoals door de grootmoeder verzocht: een dergelijke regeling geeft [kind] juist duidelijkheid.
3.11. De vader voert in zijn verweerschrift in incidenteel appel – kort samengevat en voor zover niet tevens door hem in zijn beroepschrift, dan wel in het kader van de gezagsproce¬dure is aangevoerd – het volgende aan.
Volgens de vader komt de grootmoeder niet hetzelfde recht toe als een ouder zou kunnen toekomen. Het dient tussen de grootmoeder en [kind] om een onderhoudscontact te gaan, niet om verzorging en opvoeding, aldus de vader.
De vader heeft voorts enkele passages uit het raadsrapport d.d. 7 februari 2012 geciteerd ten aanzien van het leven van [kind] en de band tussen de moeder en de grootmoeder, vóór het overlijden van de moeder.
De vader mag het huis van de grootmoeder niet betreden. Hij ziet niet in hoe hij voor het halen en brengen zou kunnen zorgdragen. Volgens de vader is geen sprake van communica¬tie met de grootmoeder, zodat hij tevens niet inziet hoe partijen in overleg tot een verdeling van de vakanties en feestdagen zouden kunnen komen.
3.12. De raad heeft ter zitting aangevoerd dat het conflict tussen partijen is geëscaleerd door de verschillende procedures en het feit dat een aantal zittingen kort op elkaar plaatsvonden. De gebeurtenissen rollen over elkaar heen, maar in dit proces dreigt men de belangen van [kind] uit het oog te verliezen, aldus de raad. Van belang is volgens de raad dat [kind] niet wordt meegenomen in de strijd. De raad stelt dat een streep dient te worden gezet onder het maken van verwijten en het zwart maken van de ander.
Volgens de raad zou het contact zodanig moeten zijn als gewoon is tussen een grootmoeder en haar kleinkind. Hoewel er argumenten zijn voor een intensief contact met de grootmoeder, is een omgangsregeling van één weekend per twee weken te uitgebreid, gelet op het belang van [kind] om in te groeien in het gezin van de vader.
Volgens de raad wil de grootmoeder niet daadwerkelijk dat het gezag van de vader over [kind] wordt ontnomen, maar wil zij door het voeren van die procedure het contact met [kind] veiligstellen.
3.13. De stichting heeft ter zitting slechts haar standpunt ten aanzien van het mediationtraject toegelicht.
3.14. Het hof komt tot de volgende beoordeling.
Gezag
3.14.1. Ingevolge artikel 1:253g lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt de rechter, indien de ouder overlijdt die het gezag over het minderjarige kind alleen uitoefent, dat de overleven¬de ouder of een derde met het gezag wordt belast. De rechter doet dit op verzoek van de raad, de overlevende ouder of ambtshalve (artikel 1: 253g lid 2 BW).
Ingevolge het derde lid van voornoemd artikel wordt het verzoek om de overlevende ouder met het gezag te belasten slechts afgewezen, indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilli¬ging, de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd.
3.14.2. Met het oog op het bepaalde in artikel 3 vanPro het Internationale Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) zal de Nederlandse wetgever voormelde wettekst aanpassen, in die zin dat die zal komen te luiden: “Het verzoek om de overlevende ouder met het gezag te belasten wordt slechts afgewezen, indien de rechter oordeelt dat het belang van de minderjarige zich tegen inwilliging verzet” (Kamerstukken 32 015, vergaderjaar 2008/2009, nr. 1, pagina 2 en nr. 2, pagina 20).
Daargelaten of artikel 3 vanPro het IVRK niet rechtstreeks van toepassing is, zal het hof vooruitlopend op de voorgestelde aanpassing van de wettelijke terminologie en aldus in afwijking van de huidige wettekst, de vraag beantwoor¬den of het belang van [kind] zich verzet tegen inwilliging van het verzoek van de raad om de vader met het gezag te belasten.
Het hof is van oordeel dat deze vraag als volgt dient te worden beantwoord.
3.14.3. Uit het rapport van de raad d.d. 7 februari 2012 blijkt dat begin 2012 alle betrokkenen achter de keuze stonden om de vader met het gezag over [kind] te belasten en [kind] bij de vader te laten opgroeien. De raad heeft geconstateerd dat [kind] het goed naar haar zin heeft in het gezin van de vader en dat [kind] zelf ook heeft aangegeven dat zij graag bij de vader wil wonen. De vader heeft bij het consultatiebureau een erg goede indruk achtergela¬ten. Voorts is mevrouw [partner vader] omschreven als een zeer stabiele vrouw.
Het is het hof voorts gebleken dat [kind] in de jaren dat zij bij de moeder woonde en regelmatig bij de grootmoeder verbleef, intensief contact heeft onderhouden met de vader, hetgeen de grootmoeder in het kader van het raadsonderzoek ook heeft erkend.
3.14.4. Het hof is van oordeel dat, gelet op de hiervoor omschreven omstandigheden, het in het belang van [kind] is dat zij in het gezin van haar biologische vader opgroeit en dat de vader met gezag over [kind] wordt belast. Het hof ziet geen aanleiding om van dit oordeel af te wijken ondanks al hetgeen de grootmoeder heeft aangevoerd en hoe spijtig het ook is dat het conflict tussen de vader en de grootmoeder – al dan niet als gevolg van de vele procedures – zo erg is geëscaleerd.
Het hof is, mede op grond van het hiervoor onder 3.14.3. overwogene, voorts van oordeel dat, wat ook zij van de ontvanke¬lijkheid van de grootmoeder in haar verzoek tot ondertoezicht¬stelling en uithuisplaatsing van [kind], daarvoor geen gronden aanwezig zijn.
3.14.5. Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep (met zaaknummer FA RK 82395 / 12-184) bekrachtigen en de verzoeken van de grootmoeder in hoger beroep in de zaak met nummer HV200.111.571/01 afwijzen.
Omgang
3.14.6. Ingevolge artikel 1:377a BW stelt de rechter op verzoek van degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast.
3.14.7. Tussen partijen staat vast dat de grootmoeder in een nauwe persoonlijke betrekking tot [kind] staat.
Partijen verschillen echter van mening over de gewenste frequentie en duur van de omgang tussen [kind] en de grootmoeder.
3.14.8. Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat een omgangsregeling zoals door de vader is voorgesteld te summier is en dat een omgangsregeling zoals door de grootmoeder is voorgesteld te intensief is. Een omgangsregeling van één weekend per zes weken, zou namelijk geen recht doen aan de sterke band tussen de grootmoeder en [kind] en haar in het gezin van de grootmoeder verblijvende zusjes en broertje. Een omgangsregeling van één weekend per twee weken zou echter, gelet op de belaste geschiedenis van [kind], gelet op haar ingroei in het gezin van de vader en de inmiddels zeer verstoorde verhouding tussen de vader en de grootmoeder, te veel van haar vragen.
Het hof acht op grond van het voorgaande een omgangsregeling waarbij [kind] eenmaal per vier weken een weekend bij de grootmoeder verblijft, in het belang van [kind] wenselijk.
3.14.9. Het hof overweegt voorts dat [kind] vóór het overlijden van de moeder ook met de moeder bij de grootmoeder heeft gewoond, danwel daar veelvuldig heeft verble¬ven. Er zijn in die periodes geen zorgen gesignaleerd ten aanzien van (de opvoedingssituatie bij) de grootmoeder. Voorts verblijven de zusjes en het broertje van [kind] sinds het overlijden van de moeder bij de grootmoeder. Ook in dit kader zijn geen aanwijzingen dat de grootmoeder de kinderen niet goed zou verzorgen.
De door de vader aangevoerde bezwaren tegen een overnachting, zijn naar het oordeel van het hof niet zo zwaarwegend of onoverkomelijk, dat [kind] en de grootmoeder de omgang gedurende een volledig weekend, alsmede tweemaal per jaar gedurende een hele week in de vakanties en tweemaal per jaar gedurende de feestdagen, dient te worden ontzegd.
3.14.10. Het is het hof gebleken dat de grootmoeder thans zorgdraagt voor het halen en brengen van [kind]. Het hof is van oordeel dat, als (een van) partijen in deze gang van zaken een wijziging wensen aan te brengen, partijen dit zelf dienen te regelen.
3.14.11. Op grond van al het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep (met zaaknummer 83354 / FA RK 12-493) bekrachtigen en de verzoeken van partijen in hoger beroep in de zaken met nummers HV200.108.180/01 afwijzen.
Schorsing uitvoerbaarheid bij voorraad
3.15. De mondelinge behandeling van de hoofdzaak (HV 200.109.180/01) en het schorsingsverzoek (HV 200.109.180/02) zijn tegelijkertijd behandeld.
Gelet op het oordeel van het hof als na te melden heeft de vader geen in rechte te honoren belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het schorsingsverzoek door het hof.
Het hof zal daarom het verzoek van de vader afwijzen.
4. De beslissing
Het hof:
in de zaak met nummer HV 200.111.571/01:
bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Middelburg van 16 mei 2012 (zaaknummer FA RK 82395 / 12-184);
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant;
wijst af het meer of anders verzochte,
in de zaak met nummer HV 200.109.180/01:
bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Middelburg van 16 mei 2012 (zaaknummer 83354 / FA RK 12-493);
wijst af het meer of anders verzochte,
in de zaak met nummer HV 200.109.180/02:
wijst het verzoek van de vader af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. W.Th.M. Raab, P.A.J.Th. van Teeffelen en Y.L.L.A.M. Delfos-Roy en in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2013.